


Misschien wel het mooiste, of meest interessante boek dat ik vorig jaar las, is
Spiegelpaleis Europa van Joep Leerssen (Vantilt 2011). Leerssen, hoogleraar Europese Studies aan de Universiteit van Amsterdam, geeft in dit boek het imago van Europa weer als een doolhof vol culturele reflecties.
Er valt een hoop te vertellen over het boek maar ik wil vooral aanhaken op een van de onderwerpen uit het begin. Leerssen schildert Europa niet alleen af als een labyrint, als een doolhof van mythen en culturele herinneringen, hij schetst ook twee manieren om uit dit labyrint te ontsnappen. Ofwel aan de hand van de draad van Ariadne, ofwel via de vlucht van Daedalus . Anders gezegd: ligt de wereld om ons heen en volgen we het spoor via een draad, via kiezels of broodkruimels (Hans en Grietje) of meten we ons vleugels aan zoals Daedulus voor zijn zoon Icarus deed, opdat we de wereld van bovenaf kunnen bezien, zoals later ook Blaue en Mercator dat zouden doen? Pas vanaf dat moment kunnen we iedere plek begrijpen als een plattegrond, in plaats van dat we de horizon als grens beschouwen. Het zijn twee manieren om naar het imaginaire Europa te kijken, waarbij de blik van bovenaf, die van Daedalus, uiteraard de meest moderne is (fysiek of virtueel).
Laten we Leerssen tijdens een van deze beeldbepalende trajecten door Europa eens volgen. We beginnen bij het labyrint op Kreta waarin de Minotaurus huist, een labyrint dat door de architect Daedalus is ontworpen. De Minotaurus wordt gedood door de moedige Theseus uit Athene, die dankzij de wollen draad van Ariadne de weg terug naar de uitgang vindt. Dit pad, zegt Leerssen, brengt ons bij de tragedies van Aegeus en Hippolytus en bij het verhaal van Phaedra (de vrouw van Theseus), en gaat verder naar het zelfbeeld van de stadstaat Athene zoals dat later wordt verwoord door Sophocles en Aeschylus. Nog later stuiten we op de tragedie
Phèdre van Racine en lezen we in
A la recherche du temps perdu van Marcel Proust dat de hoofdpersoon van het boek bijzonder graag een voorstelling van
Phèdre bij wil wonen.
We kunnen echter ook de andere kant opgaan en het verhaal van Daedalus volgen, die zijn zoon Icarus een paar zelfgemaakte vleugels aanmeet tijdens hun gezamenlijke gevangenschap in dat labyrint op Kreta. We staan even stil bij een schilderij van Brueghel (De val van Icarus) waar Icarus, na zijn vliegtocht en zijn val, wanhopig spartelt in de zee. En we trekken verder, zodat we met Leerssen uitkomen bij twee schrijvers die tevens piloot waren: Gabriele D’Annunzio en Antoine de Saint-Exupéry. D’Annunzio maakte volgens Leerssen in 1918 ‘een morele zondeval’ toen hij zich tot fascistische
duce uitriep van het stadje Rijeka, op de grens van Italië en Istrië. En de Franse Antoine de Saint-Exupéry werd in de Tweede Wereldoorlog neergeschoten door een Duitse piloot. De broer van deze piloot is later nog bekend geworden als zanger; we kennen hem onder de artiestennaam Iwan Rebroff. Zijn echte naam was Hans-Rolf Rippert, een geboren Duitser maar voor het groter publiek was hij Russischer dan de Russen. Over imago’s gesproken.
Alles bijeen zijn er twee wegen om uit het labyrint te ontsnappen: via een leidraad of een paar vleugels, stelt Leerssen.
Hij vervolgt: ‘In ons collectief geheugen huizen verhalen en mythen over hoe de geschiedenis in Europa terechtkwam en zich daar een weg baande’. Leerssen ziet het labyrint als de loop van de geschiedenis. En hij voegt er achteraan: ‘Europa is het labyrint én is de weigering om te verdwalen’.
_ _ _
Tot zover mijn korte inleiding op het boek. Een inleiding waar ik aan moest denken toen ik begin januari van dit jaar, vlak na Oud en Nieuw, in Brandenburg was, in Pruisen. Ik was er niet zomaar; ik had een afspraak met een makelaar in Pruisen. De makelaar zou ons een oud schooltje laten zien dat al enige tijd te koop stond. Sinds kort oriënteren we ons op een huis in de buurt van Berlijn. In het voormalige Oost-Duitsland, nabij het hart van Europa, op slechts vijf uur treinen van Praag. Voorlopig voor de vakanties, later misschien voor langere tijd.
We logeerden in een hotel in een middelgrote provinciestad in de Uckermarck. Het hotel stond aan de Puschkinallee. Het regende toen we de trein uitstapten en er een joeg een koude wind over de Puschkinallee waaraan grote, ietwat vervallen villa’s stonden, maar ook een sporthal, een paar boerderijen, veel oude bomen en waar aan het eind, achter het hotel, een kleine dierentuin lag.
In het hotel was het warm. We kregen de sleutels van onze kamers, twee sleutels met enorme ijzeren gewichten waarin de familienaam van het hotel was gebrand. We pakten onze koffers uit, hingen wat kleren in de kast, en konden ons niet meer voorstellen dat we zo-even nog in Berlijn waren overgestapt. Utrecht leek al helemaal ver weg. We gingen rekenen in treinen, dus via de draad van Ariadne. Eerst de internationale ICE, dan het indrukwekkende station van Berlin-Mitte, dan met de Regiolnalbahn Berlijn uit, de voorsteden voorbij, het bos door, en nog meer bos, langs meren en sombere huizen, langs voormalige Oost-Europese steden en stadjes en iedere keer weer schalde daar een vrolijke accordeonmuziekje door de coupé wanneer de volgende halte werd omgeroepen.
De duisternis viel al om vier uur in, snel en onontkoombaar. Toch wilden we nog iets van het provinciestadje zien. Er was een winkelstraat die uitkwam op een donker marktplein. Het stadhuis op het plein bleek uitgelicht. De paar restaurants zagen er gesloten uit. Enkele hoge kerstbomen waren omgewaaid en lagen verdwaasd naast hun stenen potten. Het plaatsje oogde, voor zover we het konden zien, vriendelijk. We wandelden door de winkelstraat en passeerden een drogisterij (Rossmann) en enkele bakkers. In de boekhandel bleek de streek over een eigen, inmiddels overleden schrijver te beschikken, hij heette Ehm Welk. Zijn bekendste boek had als titel
Die Helden von Kummerow. Zijn werk stond in een aparte kast. En nu we er toch waren, liepen we maar meteen even bij de winkel van Vodafone naar binnen. We wilden namelijk weten of het nabijgelegen buurtschap waarin ‘ons’ schooltje stond op de een of andere wijze was aangesloten op het internet (op dat moment probeerden we ons te oriënteren als Daedelus want allemaal leuk en wel, we wilden ook enig overzicht en een razendsnelle virtuele communicatie).
De volgende ochtend bracht een taxi ons naar de school in het betreffende dorp. We zoefden door een glooiende landschap dat door God en iedereen verlaten was en haalden opgelucht adem wanneer we enkele huizen zagen. Het gehucht waar we uiteindelijk stopten, telde niet meer dan 140 inwoners. Elke dag kwamen daar een bakker, een postbode en reden er bussen. En wanneer die niet reden, was er een belbus. Bovendien zou er een
Gaststätte zijn.
We herkenden het schooltje direct. Dat was niet zo moeilijk; het dorp telde drie straten en die hadden ook nog eens allemaal dezelfde naam, zoals we op de drie-armige bewegwijzering zagen. Het schooltje grensde aan de kerk, sterker nog, haar tuin liep over in de tuin van de kerk; het kerkhof. Slechts drie treden scheidden de schooltuin van de kleine begraafplaats. De graven zagen er verzorgd uit, er lagen verse bloemen en ook stond er een monument voor de gevallenen uit de Eerste Wereldoorlog. De kerk was Romaans, zij was opgetrokken uit bruingrijze veldstenen en had een houten toren. De spits toelopende kerkdeur was helderblauw geschilderd. Op de toren troonde een windhaantje dat nodig gesmeerd moest worden, het piepte en klaagde in de wind als een oud, reumatisch mens. Toch klonk het niet onvriendelijk. We tuurden over het muurtje van het kerkhof naar de school toen er plotseling een terreinwagen de weg opdraaide. En daar stapte resoluut onze makelaar uit; een blonde vrouw van een jaar of veertig met grote, blauwe ogen. Ook de huidige eigenaar van het huis, die inmiddels in Stuttgart woonde, bleek aanwezig.
Dan nu iets over de geschiedenis van het schooltje en hoe merkwaardig het toch allemaal lopen kan. De kleine school werd gebouwd in het begin van de 18de eeuw (rond 1700). Naast het vroegere klaslokaal lagen twee kamers die nog gerenoveerd moesten worden, daar had tot voor kort een oude mevrouw gewoond. Zij was vorig jaar overleden en lag nu waarschijnlijk op het kerkhof naast haar huis. In de niet gerenoveerde kamers zagen we jute in de lemen muren, enkele eeuwen geleden nog gebruikt als versterkingsmateriaal. Het jute was kurkdroog, dus het was geen vochtig huis. Het huis, opgezet in die zogenaamde vakwerkstijl die door de huidige eigenaar opnieuw was blootgelegd, werd al meteen in de 18de eeuw als school in gebruik genomen. Dat wil zeggen: er was één klaslokaal waar twee of drie klassen tegelijk les kregen. In de betreffende ruimte ontwaarden we een laag podium, en in de tuin bevonden zich nog restanten van de voormalige schoolwc’s: een muur met dichtgemetselde ramen en twee stenen platen in de grond die als fundering dienden. Het dorp was overigens niet aangesloten op het riool: diep onder de aarde lag een waterreservoir dat door de waterdienst eens in de zoveel tijd werd geleegd. Het gebouw had, ondanks een oppervlakte van 150 m², twee badkamers en twee ruimtes waar zich ooit een keuken bevond. En dit kwam, vertelde de makelaar, omdat in de tijd van de DDR vaak twee gezinnen tegelijk in één woning werden geplaatst. Inderdaad werden er opvallend veel huizen aangeboden met een zogenaamde
Einliegewohnung waarvan we tot dusver niet goed wisten wat dat was, of waar dat vandaan kwam. De woonkamer op de eerste verdieping was ruim, met in het midden stevige, dragende vakwerkbalken. En ook daar uitzicht op de kerk met haar piepende windhaan. De huidige eigenaar had afgelopen zomer nog een wandeltocht gemaakt vanaf deze kerk naar de kathedraal van Santiago de Compostela. De draad van Ariadne, dacht ik, want laten de pelgrims onderweg niet een van huis meegenomen steen achter op hun route? Trots haalde de man een leren mapje onder zijn trui vandaan en toonde ons zijn document met stempels van het traject. Hij moet hier in dit gehucht, bedacht ik mij, wel een vreemde eend in de bijt zijn geweest.
We bekeken het hele huis, daalden een stenen trap af naar de kelder, beklommen een uitschuiftrap naar de vliering, bewonderden de gele, keramische kacheloven in de hoek van een van de nog onopgeknapte kamers, staarden naar de molshopen in de tuin, raapten eikennootjes van de graven en zagen een kat de schuur uitvliegen. Daarna namen we afscheid van de eigenaar en de makelaar. De blonde makelaar stapte in haar stoere terreinwagen en scheurde weg. De eigenaar zwaaide en zou diezelfde avond naar Stuttgart vertrekken. Wij bleven nog even, en slenterden naar de
Gaststätte. Ja, er was een
Gaststätte want ’s zomers zou hier enig toerisme zijn met al die meren in de buurt, tussen die malse, glooiende velden.
Over de tafels lagen gebloemde, pastelkeurige kleedjes en roze servetten. De ruimte was versierd met plastic zonnebloemen. Er brandde een open haard. Een al wat oudere dame in een vale spijkerbroek vroeg wat we wilden drinken. De kat des huizes wilde geaaid worden en nestelde zich naast ons voor de open haard. We wachtten twintig minuten op de bestelling (koffie, chocomel en bier), en probeerden ons deze streek in de zomer voor te stellen. Later zouden we horen dat het gebied van overheidswege zwaar werd gesubsidieerd, dat het de streek zichzelf allang niet meer bedruipen kon. Sommige huizen in het gehucht stonden leeg en hadden gebroken ruiten, net als in het provinciestadje. We aaiden de kat en hielden ondertussen scherp de tijd in de gaten; er reden immers niet meer dan vijf bussen per dag.
Om twee minuten over één kwam reed onze bus het dorp in. We waren de enige passagiers. Weer gingen we door dat verlaten landschap. In het tussenliggende gehucht draaide de bus moeizaam een rondje om dat wat je een plein zou kunnen noemen. Er stond niemand bij de halte. Na een kwartier bevonden we ons weer in het provinciestadje.
Aanvankelijk probeerde ik optimistisch te zijn en ik rekende mijzelf voor: het is een kwartier van het gehucht naar de provinciestad. En dan is het nog vijftig minuten vanaf het provinciestation naar Berlijn. Ik had het spoor al gelegd, de draad al gespannen en hield me vast aan dit tracé. Niettemin bleven we aarzelen. Het was allemaal te leeg, te ver, te verlaten. Het gekke was echter dat we daar, in dat ene gehucht, op die verlaten plek, toch een stuk van wereld en haar geschiedenis hadden gezien. Want wat hadden we niet gezien en gehoord? Een kleine school uit de 18de eeuw die gedurende de DDR-tijd dienst deed als woning voor maar liefst twee gezinnen, een kerkhof met een monument voor de gevallen uit de Eerste Wereldoorlog, een eigenaar die vanaf de kerk naast de school naar Santiago de Compostela was gelopen, een wat oudere vrouw die probeerde aan te haken bij het toerisme van na de Wende. Nee, je kunt onmogelijk zeggen dat de geschiedenis zich hier niet voltrok! Er is geen vlek op de kaart te vinden waar de geschiedenis niet heeft huisgehouden. Ook dit gebied was getekend. Bovendien hielden gemeentelijke of provinciale subsidies de belbus in stand, je kon eruit. Maar laten we eerlijk zijn, we voelden ons toch meer nazaten van Daedalus. En je gaat geen huis kopen vanuit het idee; ik kan hier elke dag weg als ik wil. Je moet ook een beetje kunnen blijven in je huis.
_ _ _
De volgende dag liepen we door Berlijn. Lieve hemel, dacht ik op de Invalidenstrasse, terwijl ik over een kerstboom met rode lintjes stapte die nog op straat lag, alleen dit kleine stukje aan het begin van deze straat telt al 140 inwoners. En moet je kijken, je kunt hier alles krijgen. Even was ik mijn maatgevoel kwijt. Zoals je kunt hebben wanneer je gedurende een bepaalde periode weinig geld bezit; dan is alles onevenredig duur. Of wanneer je een wandelvakantie hebt gemaakt, wanneer je weken hebt gelopen, dan gaat willekeurig welk vervoersmiddel ineens belachelijk snel. Zo is het ook wanneer je een piepklein dorp bezoekt en je jezelf voorstelt dat je er zult wonen. Dan wordt iedere stad, heel even, onmetelijk groot. Een dergelijke ervaring doet iets met je gevoel voor verhoudingen. Het is echter geen verkeerd gevoel. Wie zegt dat een metropool de maat is van alle dingen? Het gevoel voor verhoudingen dat je in een stad ontwikkelt, is even ‘waar’ als dat wat je in een dorp ontwikkelt. De dorpeling in een stad is niet ‘achterlijk’ omdat het hem te groot, te snel of te veel is. Hij heeft een ander gevoel voor proporties gekregen en als hij zich ongemakkelijk voelt, dan geldt dit ongemak evengoed voor de stadsmens in een dorp. Een Gulliver in een piepklein buurtschap beweegt zich even onzeker als Klein Duimpje in een metropool. Voor ons evenwicht hebben we tijd nodig om te weten hoe we ons moeten verhouden. Wanneer we niet meer weten hoe we ons moeten verhouden, worden we onrustig.
Via de Invalidenstrasse liepen we door de Tucholskystrasse, de Oranienburger Strasse en de Grosse Hamburgerstrasse, en bereikten tenslotte café Sophieneck, ons favoriete café. Daar dronken we bier en aten we een maaltijd terwijl we uitkeken op het baksteenrode St. Hedwig-ziekenhuis. En jij, zeiden we tegen onze oudste dochter, jij bent toen je een half jaar oud was ook in Berlijn geweest. Wij zaten op deze plek en jouw buggy stond daar, en we priemden met onze wijsvingers naar een hoek van het café, waar een bejaarde man juist een
Strammer Max zat te eten. En zo trokken we onze oudste dochter al pratend het recente verleden in. Nog een paar jaar, en we meten haar vleugels aan. Dan kan ook zij een deel van de geschiedenis overzien, en navertellen.