
Dit is een intiem en alledaags tafereel (!), zei Joost Zwagerman over het schilderij ‘De wandeling’ van Luc Tuymans afgelopen dinsdag in DWDD. En met dit 'onschuldige' beeld wilde Zwagerman ‘de banaliteit van het kwaad’ onderstrepen, de ondertitel van het boek ‘Eichmann in Jeruzalem’ van Hannah Arendt. Daar moet je, denk ik, een beetje mee uitkijken. Arendt heeft een boek van meer dan vierhonderd pagina’s nodig gehad om genuanceerd uit te leggen wat zij met deze ondertitel bedoelt, dat de zin daarna een eigen leven gaat leiden, komt het boek en het gedachtegoed op zichzelf niet ten goede; een uitspraak verwordt tot een kreet. Maar dit terzijde.
Wat minstens zo absurd was, en ik gebruik hier heel bewust het woord ‘absurd’, is dat ‘De wandeling’ meteen op het eerste gezicht al, anders dan Zwagerman ons wil doen geloven voor de lijn van zijn betoog, helemaal geen onschuldig beeld weergeeft. Laten we er daarom eens naar kijken.
We zien twee mannen, gehuld in donkere jassen, op hun rug. Dat op zich is al onheilspellend, donker en ruggelings in plaats van frontaal (het gelaat zichtbaar) en licht of kleurrijk gekleed. De een heeft een vierkante kop, de ander draagt een militair hoofddeksel en een militaire jas. De houding van de man met het hoofddeksel is ronduit krampachtig te noemen: het kleine hoofd tussen de opgetrokken schouders, de rechterarm stram gebogen, je kunt je zelfs voorstellen dat hij een vuist maakt. Onschuldig, zegt Zwagerman. De mannen staan in een uitgesproken troosteloos berglandschap. Het kleurgebruik varieert van donker tot koel: zwart, bruin, grijs, grijsblauw. In het midden van iets dat op een maanlandschap lijkt, links van het pad, woekert een bruingroen mos. Verder groeit er niks, laat staan dat er iets bloeit. De takken van de boom aan de linkerkant van het schilderij zijn kaal en ogen dor. Achter de boom doemt een stuk muur op: zwart en ondoordringbaar. Wat de twee mannen met elkaar bespreken, je weet het niet, maar als kijker vermoed je het ergste. Ik als kijker denk: hier wordt een sinister plan ontworpen, of de twee weten dat er iets is afgelopen en denken aan vluchten of aan zelfmoord. Lange slagschaduwen lopen door het beeld, ze achtervolgen de twee mannen als het ware. Zelfs als ze zouden willen, ze komen niet van hun schaduw los. Onschuldig, zegt Zwagerman zonder blikken of blozen. Het pad waarover de mannen hun weg vervolgen, leidt intussen naar een onbestemde verte: vage grijze bergen onder een asgrauwe hemel. Je voelt dat het koud moet zijn om daar te lopen, je vermoedt dat het geen warme, zonnige dag was. En dat het morgen ook al niet zonnig zal zijn. Onschuldig? Het wordt nog veel gekker. Want nu refereert Zwagerman plotseling aan Asterix en Obelix. De grote domme en de kleine slimme. Of Kuifje en Haddock, roept hij enthousiast, terwijl hij naar Speer en Hitler kijkt, want inmiddels heeft hij de kijker vertelt wie de twee mannen zijn. De populaire beeldcultuur wordt er op deze manier wel heel erg met de haren bijgesleept. En niemand bij DWDD grijpt in. Asterix en Obelix? Kuifje? Dit wordt ‘ik zie, ik zie wat jij niet ziet’. Of : ‘kijk eens, er staat niet wat er staat, ceci n’est pas une pipe’. Maar nee, Tuymans is beslist geen surrealist, en zeker niet schatplichtig aan Magritte. Wat is hier aan de hand?
Naar kunst kijken is niet zo makkelijk, al lijkt dat misschien wel zo. Je dient niet alleen over de nodige kennis en ervaring beschikken om kunstwerken te duiden, je moet werkelijk goed kunnen kijken. Er zijn aardig wat schrijvers die zich met beeldende kunst bezig houden , er zijn er maar weinig die daadwerkelijk kunnen kijken. De meeste schrijvers wéten, zij kijken met hun verstand. Kijken gaat echter verder dan dat. Bernard Dewulf is een schrijver die de kunst van het waarnemen verstaat. In zijn bundel ‘Bijlichtingen’ bijvoorbeeld, kijkt hij naar een schilderij van Bonnard (‘Nu accroupi dans la baignoire’) en vraagt zich vervolgens af wat dat ene gele vlekje in het midden van het beeld te betekenen heeft ten opzichte van de rest. Wat doet dat vlekje daar? Het is onmisbaar voor het geheel, het voegt iets toe, zonder die gele vlek stort het schilderij ineen, maar waarom? En als lezer van dit essay besef je: het gaat niet om het bad, niet om het model, niet om het naakt, nee, zo letterlijk is het allemaal niet. Zij vormen slechts een aanleiding om een hoeveelheid verf en kleur op een bepaalde manier op het doek te zetten in een poging het licht te vangen, en alles wat de schilder zeggen wil, zit niet in het bad, niet in het naakt, maar in de verf, in de verhoudingen, het licht. En precies daarin ligt de hele gevoeligheid van de schilder besloten.
Dat is wat anders dan het letterlijke kijken dat Zwagerman doet. En al helemaal iets anders dan van tevoren een mal klaar hebben, een constructie, waarbinnen je een schilderij wil plaatsen. Een schilderij hoort geen korset te dragen.
Het schilderij van Tuymans past niet in het credo/ het korset van ’de banaliteit van het kwaad’. Zwagerman buigt het beeld om naar iets dat het evident niet is. Van een dreigende atmosfeer maakt hij een onschuldig plaatje omdat het beeld nu eenmaal een stelling moet illustreren. Nog niet eens zijn eigen stelling, Zwagerman herhaalt een oneindig vaak geciteerde uitspraak van Hannah Arendt die zij in 1963, naar aanleiding van het proces tegen Eichmann, gebruikte in een poging iets van de oorlog en van de mens in de oorlog te doorgronden. En dat is dan ook de enige overeenkomst die er bestaat tussen het schilderij van Tuymans en de uitspraak van Arendt: het is oorlog. Daarnaast maakt Zwagerman gebruik van een algemeen verhaal rond en over Luc Tuymans, het verhaal van de vervreemding, het verhaal dat vertelt over het inzetten van banale beelden waar een gruwelijke werkelijkheid achter schuilt. Het is echo op echo. En daarbij werpt Zwagerman geen enkele blik op het schilderij van Tuymans. Hij denkt dat hij wéét wat hij ziet. Hij kijkt niet. Zelfs zonder de bijbehorende kennis van Hitler en Speer, vormen twee militairen in een donker, dreigend en koel berglandschap geen intiem en alledaags tafereel. Nee, hij kijkt werkelijk niet.
Iemand die kijkt, lapt de bestaande verhalen aan zijn laars, ook al komen ze van de schilder zelf. Iemand die kijkt, dreunt geen lesjes op en is niet báng om te kijken. Iemand die kijkt, vertelt wat hij zelf heeft gezien en is op deze wijze in staat om een schilderij opnieuw te duiden en voor alles levend te houden. Pas dan mag je jezelf, wat mij betreft, als een hedendaagse Pierre Janssen zien. Pierre Janssen die, volgens het Nipkow-juryrapport uit 1961 zeker geen ‘uitlegger’ was en het rapport vervolgt onverstoorbaar dat ‘dat een tekort is dat men hoog in hem moet schatten’.
1 reacties:
http://www.decontrabas.com/de_contrabas/2011/03/een-discussie-over-schrijvers-die-schrijven-over-beeldende-kunst.html#comments
Een reactie plaatsen