
Gisteren schreef ik een stukje over de bespreking van ‘De wandeling’ van Luc Tuymans door Joost Zwagerman in DWWD van afgelopen dinsdag. Daarna ontving ik van Joost Zwagerman een verbolgen mail. Mijn antwoord aan hem giet ik in de vorm van een tweede betoog en dat plaats ik op mijn blog.
Waarom? Niet om iets in het openbaar uit te vechten, dat vind ik banaal.Wel om de volgende reden.
Ik vind het nogal van den gekke dat een schrijver als Joost Zwagerman, die in verschillende media zijn beschouwingen over kunst ten beste geeft, en daarbij herhaaldelijk laat blijken dat hij daar niet zeer sterk in is, kritiek meteen in de kiem probeert te smoren. Mogen gevestigde schrijvers werkelijk geen weerwoord krijgen? Dat lijkt me stug. Een discussie over schrijvers die schrijven over beeldende kunst, gevoerd door de schrijvers zelf, door beeldend kunstenaars en kunsthistorici lijkt mij bijzonder interessant. En laten we ook de geïnteresseerde leek niet vergeten, dwars door de bestaande hiërarchieën heen, en de studenten kunstgeschiedenis.
Overigens: ik spreek Joost Zwagerman aan in de u-vorm, en dat is niet ironisch. Hij vousvoyeerde mij ook en we blijven beleefd.
Geachte heer Zwagerman,
Met enige verbazing heb ik uw reactie op mijn blogbericht gelezen, verbazing omdat u zo weinig op de lijn van mijn betoog in gaat. U doet in uw reactie in feite hetzelfde als wanneer u een kunstwerk uitlegt: u praat, kijkt, denkt en luistert bijzonder letterlijk. En daardoor mist u naar mijn idee toch het een en ander.
Allereerst zou ik u verkeerd hebben geciteerd. Ik laat u in mijn tekst zeggen ‘dit is een onschuldig schilderij’ daar waar u zegt ‘dit is een onschuldig beeld’. En met dat onschuldige beeld verwijst u naar een foto die Luc Tuymans gebruikte voor het schilderij ‘De wandeling’. Het betreft een foto van Hitler en Speer tijdens een vakantie in Zuid-Duitsland, nabij het Adelaarsnest.
Hier raken we meteen al in verwarring, lijkt mij. Want waar gaat het over? Naar mijn idee over het volgende. Een foto ligt ten grondslag aan het schilderij. U noemt, in navolging van de catalogus van het Bozar (bij catalogi mag je overigens altijd vraagtekens zetten, meedenken, tegenwerpen, etc.; ik ben vaak de gekste dingen tegengekomen in catalogi), in navolging van de catalogus dus, noemt u de betreffende foto onschuldig, dan wel banaal. De foto ligt ten grondslag aan het schilderij van Tuymans, maar het schilderij mag vervolgens niet onschuldig of banaal worden genoemd. Letterlijk gesproken heeft u gelijk: u zei: ‘dit is een onschuldig beeld’ en niet ‘dit is een onschuldig schilderij’. Ik ga het direct veranderen in mijn tekst, want u tilt hier zwaar aan. Maar figuurlijk gesproken maakt het natuurlijk geen spat uit, noch voor het schilderij, noch voor de lijn van mijn betoog. U wilt de onschuld van het landschap benadrukken, de banaliteit van de situatie. Hier kom ik straks op terug.
Verder laat ik u zeggen: ‘je zou in die twee mannen ook Asterix en Obelix kunnen zien’. U verwijt mij vervolgens dat u dat niet zo heeft gezegd. U stelt dat Hitler en Speer heel goede vrienden waren en dat in de populaire cultuur vaak gebruikt wordt gemaakt van het cliché van twee vrienden van wie de één wat groter en minder slim is en de ander wat kleiner en de slimste van de twee , zie Asterix en Obelix, zie Kuifje en kapitein Haddock. Maar daarmee zegt u niet dat je in de figuren van Hitler en Speer Asterix en Obelix kunt zien, vervolgt u. Volgens u is dat een onnavolgbare logica die geheel voor mijn rekening komt en waar ik verder maar mee moet zien te leven. Aangezien ik echter aanhalingstekens gebruik, kom ik volgens u in de buurt van laster(!). Nou nou nou. Waar gaat dit precies over?
Uw argumentatie omtrent dit punt is in mijn optiek zwak. U refereert aan Speer in de rol van Obelix, en aan Hitler in de rol van Asterix, dan weer aan Speer in de rol van kapitein Haddock en Hitler in die van Kuifje. Dus ik mag niet schrijven dat je in de twee mannen Asterix en Obelix kunt zien maar wel dat u eraan refereert. Als u erop staat, en dat doet u, haal ik zonder probleem de aanhalingstekens weg. Dan blijft uw referentie over. En dan blijft mijn punt overeind: de populaire beeldcultuur heeft hier weinig tot niks mee van doen. Nergens wordt duidelijk waarom u de populaire beeldcultuur er met de haren bijsleept. Waarom Asterix en Obelix? Ik ken wel meer ongelijksoortige duo’s, variërend in fysieke grootte en gezond verstand. Goethe en Eckermann? Sartre en de Beauvoir? Laurel en Hardy? U en ik? Dat was een grapje. Hoe dan ook, de populaire en hier volstrekt niet ter zake doende beeldcultuur zet wel de toon voor een wat oppervlakkige lezing van het schilderij. Belastert u hiermee het schilderij niet een beetje? Nee natuurlijk niet. U ziet, ook 'laster' is een term die we maar niet al te lichtzinnig moeten gebruiken.
Maar ik maak mij niet alleen schuldig aan laster, ook mijn fantasie slaat met mij op hol, vindt u. Want ik denk dat Hitler en Speer op dit schilderij sinistere plannen ontwerpen of misschien aan zelfmoord denken. De foto is echter gemaakt lang voordat het Derde Rijk viel, zegt u, en de kans dat ze over zelfmoord praten is klein. Meneer Zwagerman, alstublieft! Hoe letterlijk wilt u een schilderij nemen? Ik ga in op de suggestie van het beeld, u sleept er een geschiedenisboek bij. De schilder als historicus? Zo bont wilt u het toch niet maken? U was er niet bij en zelfs al u er wel bij was, is dit absoluut irrelevant. Ik denk dat we hier de kern raken van de makke van veel van uw kunstbeschouwingen. U legt uit. U haalt er jaartallen en cijfers bij. En aanhalingstekens en komma’s. En catalogi, en nog meer cijfers. Wilt u kunst bewijzen? Dat kan niet, zij zal u altijd ontglippen. Ook binnen de beeldende kunst geldt, net als in de literatuur, en dat zult u toch als geen ander weten: ‘show, don’t tell.’ U metselt het schilderij dicht met uw geschiedenisboek. Kijkt u toch en laat u niet álles gelegen liggen aan de opmerkingen van anderen.
Zoals ik al schreef, iemand die kijkt, lapt de bestaande verhalen aan zijn laars, zelfs wanneer die van de kunstenaar zelf komen. Ik zou bijna zeggen, vooral wanneer die van de kunstenaar zelf komen; zouden kunstenaars hun eigen werk verklaren, ze zouden niet meer schilderen. Kunstenaars moeten zichzelf, net als schrijvers, lelijk tegen kunnen spreken; kunstbeschouwers daarentegen moeten helder blijven maar deze paradox wel in acht nemen. U meneer Zwagerman dreunt uw lesje op: een lesje Arendt, een lesje Tuymans, een lesje catalogustekst. Sterker nog, u herhaalt vrijwel letterlijk de tekst van Tuymans die ook in mijn prachtige Phaidon catalogus staat. Mij, en vele andere kunstenaars, kunstliefhebbers en kunsthistorici gaat het nu juist om een wat minder afgekloven verhaal, een verhaal dat het beeld en de tekst uit de catalogus overstijgt.
Daarnaast. U krabt zich niet alleen achter uw oren over mijn vermeende lasterpraat of over mijn op hol geslagen fantasie, u vraagt zich ook nog eens bezorgd af of ik kleurenblind ben. Want er is geen spatje zwart in het schilderij te bekennen. En laat Tuymans, u wijst me er fijntjes op, in het filmpje bij DWDD nu ook nog eens vertellen dat hij nóóit zwart gebruikt. Naar mijn idee is dit (excuseer) repeterend kommaneuken, toch ga ik hierop in omdat ook dit weer uw manier van analyseren blootlegt. U hebt gelijk, Tuymans gebruikt geen zwart. Hij zegt in het filmpje: ‘ik maak mijn eigen donker’. En wat zou dat eigen donker dan zijn? Toch wel iets dat zeer dicht tegen het zwart aan ligt als we naar tal van zijn schilderijen kijken.
Het verschil tussen zwart en 'ik maak mijn eigen donker ' zou wel eens zeer miniem kunnen zijn, er zijn genoeg schilderijen aan te wijzen die dit staven. Kent u de verscheidenheid in kunstenaarsmaterialen? Weet u wel hoeveel kleuren zwarte verf of inkt er zijn? Lampenzwart, fluweelzwart, beenderzwart, carbonzwart en zo kan ik nog wel even doorgaan. Eigen donker of zwart, u blijft wederom veel te dicht bij de uitspraken van de schilder staan, die voor de schilder ongetwijfeld van prominent belang zijn, daar twijfel ik niet aan, maar voor u en ons als kijker nauwelijks van enig belang.
Ik zou nog terugkomen op het onschuldige landschap. In het Bozar is een catalogus te koop en daar kan ik in lezen, zegt u (dat kan ik de mijne ook, maar ik heb u al over mijn gezonde scepsis aangaande catalogusteksten verteld) dat Tuymans juist de foto van Hitler en Speer in het berglandschap koos vanwege het onschuldige karakter ervan. Ja, en dat is nu precies wat ik bestrijd, die mal en dat concept, die extreme letterlijkheid. Het kan vriezen en het kan dooien, het leven bestaat uit een lach en een traan. Niks ervan. Voor de een meer tranen dan voor de ander, op de ene plek vriest het vaker en vinniger dan op de andere. Het onschuldige landschap (een landschap is per definitie noch schuldig, noch onschuldig) is ook zo’n platitude, alsof alles in het leven in evenwicht is, en u gebruikt die platitude. Zoals u ook een hapklare brok van de filosofie van Hanna Arendt maakt. En dat is mijn bezwaar. Dit is toch een rijtje dat we allang kennen, op eenzelfde wijze als dat we de tafels van vermenigvuldiging of de koppelwerkwoorden kennen? Onschuldig landschap, Eichmann, Arendt en om het naar het hier en nu te halen, een stukje populaire beeldcultuur. We zouden er ook nog Adorno en Armando aan toe kunnen voegen. En dan hebben we laten zien dat we onze klassiekers kennen, want die kent u en dat geef ik u na. Maar we hebben niets over het schilderij gehoord, dat ook zonder voorkennis beslist geen intiem of alledaags tafereel vertoont, niets over de verfstreek of de eigenaardige beeldordening, de uitsneden, de leegte, het schuwe, het verlegene. Niets over de losstaande elementen die buiten het bestaande dan wel letterlijke verhaal een eigen verhaal vormen, die erboven zweven, er doorheen sijpelen, die zélf ademen. We zouden zelfs via een heel andere weg een vergelijking tussen Tuymans en Morandi kunnen trekken en dan zouden we (misschien wel tegen de zin van de schilder, misschien ook niet) afstappen van de oorlog en toch een interessante en coherente beeldanalyse kunnen maken, maar niets, niets, niets. Wij horen over het wegwerphitlertje van Maurizio Cattelan, een beeld dat volgens u in contrast met het schilderij van Tuymans staat, en toch blijft u daarmee denken in een en dezelfde categorie. We zien een fragmentje Lucky tv, we horen u praten over de vrolijke wandelaar van Casper David Friedrich (vrolijk?), we horen u praten over alles wat letterlijk naast het schilderij ligt. Ja zelfs over de berg waar de wandelaar van Casper David Friedrich voor staat, want dat is dezelfde berg als op het schilderij van Tuymans. U serveert een overbekende coctail. En u wordt boos wanneer iemand u tegenspreekt. Ik ben niet boos op u, werkelijk niet. Ik stel me hier op als een kerel en zou morgen zo een biertje met u kunnen drinken. Maar ik vind wel dat de beeldende kunst beter verdient.
Noch de beeldende kunst, noch de filosofie moeten we reduceren tot een bundeltje gemeenplaatsen. Dat brengt ons begrip van de beeldende kunst en de filosofie namelijk geen spatje verder. Integendeel, zij verschraalt erdoor. Uw kunstbeschouwingen, noch uw mail hebben mij van het tegendeel kunnen overtuigen.
Uw persoonlijke terzijdes laat ik hier achterwege, als zijnde niet sjiek.
Met hartelijke groet, Nicole Montagne
2 reacties:
Dank.
Zwagerman is getroffen door de vloek dat hij op te jonge leeftijd succes kreeg als schrijver. Vervolgens is hij helaas zelf in dat schrijverschap gaan geloven. Maar meer dan vaardig wat woordjes op een rij zetten, werd het nooit.
Helaas is dat in Nederland genoeg.
Ideeën heeft hij niet.
Niet dat ik ook maar iemand z'n succes misgun. Maar wat Zwagerman ook doet, mij vervult het zo vaak met plaatsvervangende schaamte. Te gemakkelijk is het.
Schrijf vaker...
Een reactie plaatsen