dinsdag 24 mei 2011

Je est un autre / Zwagerman over Leibowitz


Annie Leibowitz

Kanttekeningen bij Joost Zwagermans Kijken naar de pijn van dierbaren / Annie Leibovitz en Susan Sontag uit de essaybundel Alles is gekleurd.


1. Over statische beelden en het gelaat van Rimbaud


Joost Zwagerman bespreekt in zijn essay Kijken naar de pijn van dierbaren / Annie Leibowitz en Susan Sontag het overzichtswerk A photographer’s Life ; 1990-2005 van de fotografe Annie Leibowitz. Dit overzichtswerk is een vuistdik boek waarin naast portretten van bekende personen ook de categorieën landschap en architectuur, én foto’s uit het privé-leven van Leibowitz zijn opgenomen.
Ouderdom, dood, geboorte, familieperikelen, zo samengevat klinkt het misschien weinig spectaculair, zegt Zwagerman naar aanleiding van de privé-galerij, maar het lijkt erop dat het Leibowitz niet lukt om ook maar één onspectaculaire foto te maken. En hij voegt eraan toe: ‘Bij Leibowitz, krijgt zelfs doordeweeks familiegeluk op bepaalde momenten een majestueuze beeldkwaliteit’. De schrijver haast zich erbij te zeggen dat deze momenten helaas wel in de minderheid zijn. De lezer is inmiddels de wat negatieve connotaties opgevallen van ‘zelfs doordeweeks familiegeluk’ en ‘weinig spectaculaire onderwerpen’. Passen deze onderwerpen niet in een overzichtswerk van Leibowitz? Zijn het werkelijk geen opzienbarende onderwerpen? Waarom heeft Leibowitz de foto’s dan opgenomen?

Leibowitz laat ons met haar privé-foto’s bladeren door de tijd. Zwagerman kijkt mee, en vertelt. Eerst zien we de ouders van de fotografe als ‘vitale’ vijfenzestigplussers. Dan wordt haar vader ziek. Hij sterft, ligt opgebaard. Leibowitz fotografeert nu ook haar rouwende familie. Het gedolven graf. En de geboorte van de tweeling, die ze daarna krijgt.
Wanneer je nu het tijdsbestek van de privé-galerij in aanmerking neemt, krijgt de frase ‘zelfs doordeweeks familiegeluk’ toch een andere betekenis. Als iemand eenmaal dood is, blijkt datzelfde doordeweekse familieleven immers helemaal niet meer zo alledaags en doordeweeks te zijn. Sterker nog: het gewone bleek eindig. Juist in het licht van die eindigheid krijgt een geleefd en afgerond leven iets ongewoons, iets onalledaags en iets ondoordeweeks. Het bleek uniek en onherhaalbaar. En precies dat onherhaalbare heeft iets dat ons ontzet, iets dat onze vertrouwde wereld heel even doet kantelen: dat gewone, dat doordeweekse, dat komt nooit meer terug. Er treedt nu een andere doordeweeksheid aan. En wat is er griezeliger, of meer vervreemdend, dan een alledaagsheid die je nog niet kent maar waarvan je wél weet dat ze (opnieuw) alledaags gaat worden. En zo schuiven we telkens een stukje op in onze dagen, zo jagen we onszelf door het gewone leven heen, we denken ermee samen te vallen, toch blijken we er keer op keer aan te ontsnappen. Het zal uiteindelijk een van onze meest wezenlijke angsten, en tegelijkertijd een van onze grootste zegeningen zijn: we vallen nergens werkelijk mee samen.We zijn zowel bevoorrecht als veroordeeld tot ontsnapping. Zelfs aan het doordeweekse leven.
Direct aan het begin van zijn essay maakt Joost Zwagerman echter de vergissing om de foto’s van Leibowitz te beoordelen alsof zij op zichzelf staan en miskent hij het wezenlijke tijdsaspect dat zich in het boek ontrolt. Hij constateert het wel, maar hij doet er niks mee. Voor hem blijft het ‘gewone’ gewoon. Maar niet voor niets worden de foto’s door Leibowitz in een overzichtswerk opgenomen, en niet los gepubliceerd. Voor de receptie van het werk maakt dat een cruciaal verschil.

Al snel wordt het duidelijk waar voor Joost Zwagerman de schoen wringt. In dat alledaagse leven figureren niet alleen familie en bekenden van Annie Leibowitz, maar figureert ook haar partner Susan Sontag. En omdat die twee een relatie hadden, worden de foto’s die Leibowitz van Sontag maakte, door de schrijver onmiddellijk in verband gebracht met het essayistisch oeuvre van Sontag. Zwagerman zegt zelfs dat er in een enkel geval je reinste kortsluiting ontstaat tussen de opvattingen van de geportretteerde (Sontag dus) en de werkwijze van de portrettiste (Leibowitz). Dit is een opmerkelijke uitspraak. We hebben het hier over twee zelfstandig opererende kunstenaars. Je kunt de foto’s van Leibowitz niet klakkeloos beoordelen met de kennis die je hebt van het oeuvre van Sontag. Toch doet Zwagerman dat. Hij beroept zich op Sontag en schakelt van haar essayistiek moeiteloos door naar de foto’s van Leibowitz. Het is alsof je het beeldend werk van Charlotte Mutsaers gaat bespreken aan de hand van de essays van haar man, Jan Fontijn. Het is nog maar de vraag of je dat zo makkelijk met elkaar kan en mag vergelijken. Ik vind het eigenlijk niet eens een vraag. Het antwoord lijkt mij driewerf nee. Toch doet Zwagerman dat.

Zwagerman gaat verder en citeert nu uit het werk van Sontag, teneinde dat van Leibowitz te beoordelen. Zo vertelt Susan Sontag in verschillende essays over het ongemak dat haar bevangt wanneer ze moet poseren voor een fotograaf. Ze beschrijft hoe ze zich voelt klemgezet wanneer een fotograaf zijn lens op haar richt . Ze was niet in staat om te ontsnappen, zegt Zwagerman. En hij herhaalt Sontag die zegt dat de fotograaf zich bekommerde om iets wat zij niet was: haar beeltenis. Zwagerman vervolgt letterlijk: ‘Als essayiste niet voor één gat te vangen, voelde Sontag zich verschrompelen tot een stuntel die niet adequaat kan reageren op de ontdekking dat zij in de blik van de fotograaf wordt geobjectiveerd tot louter beeld, een manipuleerbaar image, een kneedbare vorm die nu eenmaal een frame vereist'. Los van het feit dat ‘dat verschrompelen tot een stuntel’ wat ongelukkig is geformuleerd (dergelijke frases blijven bij de lezer hinderlijk lang hangen) is het ook een curieuze uitspraak want Sontag reageert wel degelijk adequaat! Ze schrijft er namelijk een essaybundel over en noemt deze On photography. Hoe adequaat kun je zijn? In die zin legt Sontag het helemaal niet af tegen haar beeltenis maar komt ze er, met alles wat ze in huis heeft, tegen in opstand.

Maar niet alleen dat ziet Zwagerman over het hoofd. Ook is het in dit verband relevant om op te merken dat Annie Leibowitz niet een enkele maar, zoals Zwagerman al vertelde, een hele serie foto’s van Sontag heeft geschoten. Nu eens fotografeerde ze een trotse en dan weer een frêle, zelfs aaibare vrouw. Die reeks is om verschillende redenen van belang. Eerst noemde ik al het tijdsaspect, dat die zogenaamde ‘alledaagsheid’ in perspectief zet en zelfs onderuit haalt.
Tevens betekent fotograferen in een reeks dat dat ene geobjectiveerde beeld, dat van de trotse vrouw bijvoorbeeld, onmiddellijk wordt tegengesproken door dat andere geobjectiveerde beeld (zoals bijvoorbeeld dat van de frêle of aaibare vrouw). Immers, wanneer er verschillende unica bestaan, is het unieke al niet zo uniek meer. In plaats van dat Zwagerman dit signaleert, stelt hij of het maar de vraag is of Sontag zich als publieke figuur met de hier getoonde mate van aaibaarheid had willen associëren. Op grond van Sontags eigen uitspraken die verwijzen naar een angst voor het geobjectiveerde beeld waaraan een stukje van haar ‘echte ik’ ontsnapt, zou ik anders dan Zwagerman concluderen: juist wel.
Een reeks foto’s laat een reeks momentopnames zien en zet dat ene dwingende beeld al vrij snel op zijn kop. Dat ene beeld blijkt in een reeks minder statisch en beklemmend dan wanneer het op zichzelf staat. Vergelijk het maar met een tekenfilm: heel veel stilstaande fragmenten achter elkaar vormen samen geen statisch maar juist een bewogen beeld. Er ontvouwt zich iets. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de fotografe Annie Leibowitz haar partner Sontag juist aan de gemeenplaats van het statisch geobjectiveerde beeld laat ontsnappen door haar in een reeks van, al dan niet ‘alledaagse’, beelden te vangen.

Zwagerman maakt in dit stuk jammer genoeg geen onderlinge verbanden of tegenspraken duidelijk. In plaats daarvan legt hij vrij achteloos de uitspraken van Susan Sontag over de foto’s van Annie Leibowitz heen, zonder werkelijk naar die foto’s te kijken. Want over de foto’s zelf hebben we nog nauwelijks iets vernomen.

Laten we nu eens zoeken naar iemand van wie er maar heel weinig foto’s bestaan. In zo’n geval wordt namelijk alles wat we weten over zijn of haar leven in dat ene portret geprojecteerd.
De dichter Arthur Rimbaud bijvoorbeeld. Er zijn slechts enkele, en dan vooral vage foto’s van hem bekend. Op de foto die de meeste van zijn bundels siert, is hij een jongen van zeventien jaar. Maar dan duikt er in 2010, op een boekenbeurs in Parijs, een nieuwe foto van hem op. Rimbaud zit op een veranda in Aden (Jemen) tussen een stel andere Europeanen; de dichter werkte daar destijds als handelaar in koffie, ivoor en wapens. De foto wordt gedateerd tussen 1880 en 1890, Rimbaud is dan tussen de 26 en 36 jaar oud. Voor het eerst zien we nu de gelaatstrekken van de al wat oudere dichter. Deze foto voegt dus iets toe, het vage krijgt contour. De dichter houdt zijn hoofd een beetje schuin. Zijn wenkbrauwen zijn licht gefronst, zijn mond staat wat open. Hij kijkt argwanend, alsof het voor hem niet hoeft, die foto. Alsof het wat hem betreft, wel bij die paar wazige beelden had mogen blijven. Hij, die toch al schreef over een wankele identiteit (je est un autre). Toch is deze identiteit nu voor de lezer, en de kijker, een heel klein beetje uitgebreid. Misschien zal er hierna nooit meer een foto van hem verschijnen, hij stierf immers al op 37-jarige leeftijd. Niettemin is met deze gevonden foto dat statische beeld op die paar vage foto’s iets minder statisch geworden.
Iedere nieuwe foto spreekt dus een vorige foto tegen of completeert haar. Bestaan er zelfs tientallen of honderden foto’s, of meer, dan wordt dat ene beeld (de identiteit) verdeeld, bijgesteld en uitgesmeerd over de hele reeks. Het beeld blijkt minder statisch dan we denken: je kan eruit. Zwagerman lijkt echter in vaststaande beelden (of imago’s) te denken, en soms nog erger, in beelden die letterlijk worden genomen. Dat is benauwd. Ik kom hier in het laatste deel op terug.


2. Over relaties en tragisch zelfonderzoek


Susan Sontag en Annie Leibowitz hadden een relatie maar ze dachten, uitgaande van de essays van Sontag die door Zwagerman zonder mankeren over de foto’s van Leibowitz worden gelegd, heel verschillend over bepaalde zaken .
Zwagerman vertelt bijvoorbeeld dat Annie Leibowitz met haar privéfoto’s ‘zwaar leunt op de foto-esthetiek van Diane Arbus’. En, gaat Zwagerman bijna triomfantelijk verder, Arbus is nu precies de fotografe over wier werk Sontag een van haar meest kritische en afwijzende essays heeft gepubliceerd. ‘Tja’, denk ik dan als lezer. Leibowitz heeft een relatie met Sontag. Sontag uit zich kritisch en afwijzend over Arbus. Betekent dat dan ook dat Leibowitz kritisch ten opzichte van Arbus moet staan? Of dat ze, zolang ze deze sympathieën heeft, maar beter geen foto’s meer van Sontag moet maken? Wat een merkwaardige verband wordt hier gelegd tussen het, mag je hopen, onafhankelijk gedachtegoed van beide vrouwen. (...)

voor het hele essay: klik op deze link naar De Contrabas

1 reacties:

Harry J.M. Kleinhoven zei

Interessant stuk.

"lijkt niet [te] zien wat daarachter ligt" - 'te' vergeten te schrijven.