
Wanneer we alle foto’s van onszelf op een rij zouden leggen, op welke foto lijken we dan het meest? Natuurlijk, het tijdsaspect speelt een cruciale rol. Laten we daarom zeggen: alle foto’s van het afgelopen jaar. Dan rijst er een aantal vragen. Waarom vinden we onszelf meer op de ene foto lijken dan op de andere? Waarom vinden we doorgaans die foto’s van onszelf het meest geslaagd waar we het minst op lijken? En is het waar dat de camera niet liegt? Ik las deze constatering eens bij een fotografe. Zij reageerde op een discussie over fotogenieke mensen, gestart door een meisje dat zichzelf niet zo fotogeniek vond. Troost je, zei iemand, mensen die fotogeniek zijn, zijn op de foto knapper dan in het echt. Waarop de fotografe stellig beweerde: dat kan niet, de camera liegt niet.
Dat laatste lijkt me niet helemaal waar. De camera liegt wel degelijk. Waarom bestaan er dan zoveel verschillende foto’s van ons? Omdat er zoveel verschillende camera’s zijn? Is een camera die met een nauwkeurige scherpte alles registreert, de camera die ons het beste weergeeft? Onder het mom van: wat de camera niet ziet, dat registreert zij niet? Maar wanneer er een objectieve weergave bestaat, waarom veranderen dan van tijd tot tijd de regels waaraan een pasfoto moet voldoen? En wie vindt zichzelf nu heel erg op zijn of haar pasfoto lijken?
Ik herinner me de tijd dat je gezicht voor driekwart op de pasfoto moest staan. Zodat de curve van het jukbeen goed uitkwam. Dat werden doorgaans vrij flatteuze foto’s, voor ieder van ons. Daarna werd het weer frontaal. De laatste keer dat ik een foto voor mijn pas liet maken, moest mijn haar achter mijn oren en mijn pony opzij. Dus opnieuw de nadruk op de jukbeenderen en, heel belangrijk, de wenkbrauwen. Want zoals wij kunstacademiestudenten tijdens de les portrettekenen leerden, de wenkbrauwen zijn uitermate karakteristiek voor het gezicht, zij volgen immers de vorm van de schedel. Heb je de wenkbrauw, dan heb je de bouw van het voorhoofd en dat is onveranderbaar.
Toch zien die ‘objectieve’ pasfoto’s, er doorgaans vrij levenloos uit. Professionele fotografen maken tenminste een praatje met hun model of ze roepen ‘Niet staren, in godsnaam niet staren’, wanneer het model dreigt weg te zinken in een wezenloze blik, als een kat die de aandacht van degene die naar hem kijkt onmiddellijk af wil leiden. En snapshots worden vaak in actie genomen, of door iemand die je kent, waardoor de blik meestal wat levendiger wordt.
Nee, een pasfoto zullen we niet snel selecteren als de foto waar we het meest op lijken.
Maar waar lijken we dan wel op? En wát vergelijken we? Wanneer je naar je eigen beeltenis kijkt, vraag je je kennelijk af: lijkt dit beeld van mij op mij? Blijkbaar heb je in je hoofd een beeld van dit ‘mij’ dat, net als de werkelijkheid buiten ons, een constructie is. Daar is niks mis mee want een constructie is werkbaar. Een constructie is een uitgangspunt. Dat kun je bijstellen, daar kun je zelfs je leven lang aan schaven. Het zelfbeeld zal dan ook nooit 180 graden draaien, maar beetje bij beetje.
Een leuk en actueel voorbeeld van een geconstrueerde werkelijkheid is in dit opzicht de Britse detectiveserie Midsomer Murders. Deze serie is gebaseerd op een beeld van het platteland dat in werkelijkheid volstrekt niet bestaat. Als Nederlandse kijker denk je ‘typisch Engels’ en de Brit denkt waarschijnlijk ‘ja, zo was het vroeger’. Maar in werkelijkheid is het nooit zo geweest. Nu niet, overzee niet en vroeger niet. Het is slechts een vorm van de werkelijkheid in ons hoofd, louter in ons hoofd, die wij als echt ervaren. In dit geval: een pastorale werkelijkheid. En op die werkelijkheid wordt een (in Engeland uiterst succesvolle) serie gebaseerd.
Kunstenaars en schrijvers zijn zich hier uiteraard van bewust. In Denken over kunst van Antoon Van den Braembussche, is een gesprek opgetekend tussen journalist Georges Charbonnier en kunstenaar Alberto Giacometti. Charbonnier vraagt Giacometti of een standbeeld een bepaalde grootte moet hebben. Giacometti heeft hier geen eenduidig antwoord op. Wanneer het beeld al in zijn hoofd bestaat, weet hij gevoelsmatig precies hoe groot het beeld moet worden en de uitvoering vormt dan geen enkel probleem. Maar, en hier wordt het interessant, bestaat het beeld niet in het hoofd van Giacometti maar in de ‘uiterlijke werkelijkheid’, dan is de weergave wel degelijk problematisch omdat, zegt Giacometti, ‘ik dan niet weet wat ik ga doen.’ Hij ziet zijn object wel, maar weet niet hoe hij het weer kan geven. Hij is vooral bang dat hij zich in de afmeting vergist. Giacometti beweert dat enkele centimeters korter of langer al voldoende zijn om het beeld finaal te verpesten.
Het beeld in het hoofd is hier dus veel werkelijker, én werkzamer, dan de uiterlijke werkelijkheid.
Ook fotografe Cindy Sherman speelt met dit gegeven. Ze heeft zichzelf inmiddels op oneindig veel foto’s weergegeven, als onschuldig meisje met brief, als Marilyn Monroe, als Tori Amos, als lustobject, als dader, als slachtoffer, als Mona Lisa, als Madonna met kind, enzovoort, maar tevens blijft zij Cindy Sherman. Ze heeft haar identiteit uitgesmeerd of juist ingeleverd, het is maar hoe je het bekijkt, over honderden foto’s. Het gaat haar om vrouwelijke rolpatronen maar tegelijkertijd, en wat mij betreft nog interessanter dan dat, om haar identiteit.
Zo lopen we tenslotte door het museum, of door een galerie, en kijken naar de talloze metamorfoses van Cindy Sherman. En al weten we dat onze identiteit niet vastligt, dat zij niet ergens in ‘de’ werkelijkheid ligt beklonken, toch horen we, hoor ik tenminste, plotseling de stem van Herman Emmink in mijn hoofd. Wil de échte Cindy Sherman nu opstaan?
Dat gebeurt natuurlijk niet. Net zomin als dat wij ooit onze meest ware foto uit de rij zullen halen. Maar we blijven zoeken, en we blijven afbeeldingen maken. En daar gaat het om.
1 reacties:
Een foto is nooit 'nu', liegt dus altijd? Een boeiend betoog, vind ik, waarvan de reikwijdte nauwelijks te onderschatten valt.
Een reactie plaatsen