woensdag 15 juni 2011

Hoge en lage cultuur. Deel 1: De matrozen



Vandaag een paar aantekeningen over hoge en lage cultuur. En omdat het onderwerp nu eenmaal lang en breed is, bovendien oppervlakkig en diep, omdat je het vol ornaat de lucht in kunt schieten maar ook liederlijk over de grond kunt laten stampen, omdat het ondemocratisch democratisch is, of democratisch ondemocratisch, eerst maar eens een poging om tot een globale afrastering van een paar begrippen te komen.
Dit naar aanleiding van een opmerking van Lex ter Braak in Vrij Nederland enige weken geleden ‘dat het voor de serieuze kunstliefhebber schrikken is geblazen wanneer de hoge en lage cultuur gelijkelijk worden ingezet’.* Deze opmerking heeft me vol verbazing aan het denken gezet. Want is die overlap inmiddels niet een beetje gewoon, ja zelfs mainstream geworden?

Om te beginnen denk ik dat het zinvol is om een onderscheid te maken tussen twee vormen van niet-hoge cultuur: de populaire en de lage cultuur. Ook al overlappen de twee elkaar gedeeltelijk (zo eenvoudig zijn ze ook weer niet te scheiden) toch herbergen zij grofweg twee verschillende werelden of culturen.Tot de populaire cultuur zouden we bijvoorbeeld de topsport en het stripverhaal kunnen rekenen, tot de lage cultuur de smartlap en pulptelevisie.
Een belangrijk verschil tussen beiden zit hem voor een deel in de mate van ontwikkeling, of misschien in het vermogen tot ontwikkeling. Gordon of Corry Konings ontwikkelen zich op een andere wijze dan Hergé, of Johan Cruyff.
Dit heeft te maken met een paar zaken. Een daarvan is een verschil in omgang met dat wat je voorgangers hebben gedaan (geschiedenis, traditie). Maak je je iets eigen door middel van onderzoek, of ligt het format klaar en stap je zo in?
Dit brengt vervolgens een verschil in oefening met zich mee. André Rieu bijvoorbeeld werkt ongetwijfeld verschrikkelijk hard, maar niet per se aan het uitbouwen van zijn stijl of viooltechniek, wat dat betreft houdt hij vooral op peil wat hij al kan. Wanneer je echter niet intensief repeteert, niet intensief je voorgangers bestudeert maar vooral het bekende pad afloopt (uiteraard met een zeker talent), kom je onderweg geen wezenlijke problemen tegen. En zonder een probleemstelling geen vernieuwing, geen experiment.
Nu vind ik vernieuwing en experiment inmiddels ook enigszins uitgeholde termen. De Duitse auteur Wilhelm Genazino zegt over het schrijven van een roman: een auteur doet een voorstel om op een andere manier naar de werkelijkheid te kijken. Dat lijkt mij een genuanceerde uitspraak die zowel vernieuwing als experiment impliceert. Je zou daarom kunnen zeggen: wanneer je voor jezelf niet een zekere probleemstelling creëert, zul je niet snel met een voorstel komen om op een andere wijze naar de werkelijkheid te kijken. Dat wat in jargon dus autonome kunst wordt genoemd.
Deze ‘creatieve problematiek’ vormt op deze wijze niet alleen een onderscheid tussen hoge en lage cultuur, maar ook een onderscheid tussen de twee zogenaamde vormen van niet-hoge cultuur.

Globaal kun je dus zeggen dat een topvoetballer als Cruyff of een striptekenaar als Hergé een eigen, autonome wereld hebben gecreëerd. Dat betekent nog niet automatisch dat je ongelijksoortige vergelijkingen kunt maken. Dat je populaire cultuur klakkeloos naast de zogenaamde hoge cultuur kunt leggen. Een schilderij vergelijken met een stripverhaal heeft weinig zin, ook al vallen zij beide onder de categorie kunstwerken. En even weinig zin heeft het wanneer je de prestaties van een topschaatser vergelijkt met die van een componist. Natuurlijk zijn er altijd algemene waarheden te vinden: schilderij en strip zijn allebei picturaal, sport en muziek ontrollen zich allebei in de tijd. Maar de particuliere verschillen zijn te groot, het kader van een schaatser is niet dat van een musicus, het kader van een striptekenaar is niet dat van een beeldend kunstenaar.
Ongelijksoortige vergelijkingen gaan dus mank, maar de erkenning dat beide culturen op eenzelfde (hoog) niveau staan, is een beweging die zich de afgelopen decennia onmiskenbaar heeft voltrokken en die zich nog altijd voltrekt. Dat dat voor serieuze kunstliefhebbers schrikken is geblazen, is naar mijn idee je reinste flauwekul. Oude wijn in nogal oude zakken.

Dat wat echter de ‘lage’ cultuur (in tegenstelling tot de populaire cultuur) representeert, is een ander verhaal. Natuurlijk kun je houden van Shostakovich én Frans Bauer. Van Rothko én het zigeunermeisje met de traan. Maar waardeer je hun prestaties ook gelijkelijk?
Laten we eens kijken naar Frans Bauer of het zigeunermeisje. We hebben hier te maken met amusement, dat is evident, maar ook, en misschien nog wel belangrijker, met een zekere vorm van sentiment. Niet alleen omdat het levenslied en het goedkope schilderij een direct appèl op je gevoel doen (dat doen andere kunstvormen vaak ook) maar ze lijken vooral te appelleren aan een zekere vorm van nostalgie, aan iets dat voorbij is of juist heel ver weg . Wie had er niet een oma, een tante of een buurvrouw met een wat kitscherige reproductie van een zoet of huilerig schilderij, of een geborduurd kussen van een zeeman met een pijp? Wie herinnert zich niet bepaalde liedjes, deuntjes wijsjes die ongelofelijk populair waren, zoals Junge komm bald wieder, Du schwarzer Zigeuner of Pour un flirt. Kijk naar de titels van de Zangeres Zonder Naam: De blinde soldaat, De mijnramp, Mag ik van u een lift meneer en Spaanse vluchteling. Die liedjes openden (voorstellingen van) werelden die uitgerekend via dat kussen, dat schilderij of die ene grammofoonplaat de veilige huiskamer binnenkwamen. Het ruige of op zijn minst woelige leven (matrozen, zigeuners, drank, moord en doodslag en verbroken liefdes) werd op deze wijze gedomesticeerd.
Mijn vader bijvoorbeeld, was vaak op reis. Eens kocht hij in Duitsland een langspeelplaat met Matrosenlieder. Op de elpeehoes namen matrozen op de kade in Hamburg, tegen de blauwgroene steven van hun schip, afscheid van hun wijd gerokte en hooggehakte liefjes. Bij mij werkte dat enorm op mijn zeven- of achtjarige fantasie. Ik wilde ook een matroos. Of een boot. Of op zijn minst naar Hamburg, waar ‘het’ zich allemaal afspeelde. En ‘het’ stond dan voor het leven in een uiterst kleurrijke wereld.
Uiteraard is iedereen in staat om op deze manier zijn of haar eigen repertoire aan te vullen. Want wat hier zo leuk aan is, is dat je onmiddellijk begint met het leggen van associaties, precies (!) zoals je later zal doen wanneer je kunstwerken bekijkt of beluistert. Er zet zich een keten aan betekenissen in gang. En hoe meer je daar mee bezig bent, hoe dieper je graaft en verder je reist, des te meer zich die keten uitbreidt. Zodat je op een gegeven moment die vertakte en gelaagde reeks niet meer kunt vergelijken met dat korte maar nog o zo verwachtingsvolle lijntje van het begin. Dat allereerste schilderij, laat het een jongen met een traan zijn, dat allereerste lied, laat het Corry Konings zijn, of een matrozenlied, wees jou een weg. Draaiden ze het bij jou thuis niet, dan hoorde je het wel elders. Maar het representeerde in ieder geval een ándere wereld, een wereld die de jouwe niet was. En om sentimentele redenen, redenen die absoluut positief te waarderen zijn omdat ze te maken hebben met trouw en loyaliteit aan jezelf (de Werdegang van je eigen ontwikkeling en smaak) om sentimentele redenen dus, zul je altijd dat schilderij of die liederen kunnen waarderen naast Shostakovich en Rothko. Maar er is één ding dat je niet kunt doen. En dat is veinzen dat je ondertussen niet verder bent gelopen. Veinzen dat je geen weet hebt van hoe het anders kan. Voorwenden dat er geen verschillen zijn.
Natuurlijk is dat niet elitair. We stuiten hier nu eenmaal op enige vorm van ongelijkheid. Iemand die vooral van Shostakovich houdt, kan ook van Frans Bauer houden. Maar onder de Bauerfans zullen we weinig liefhebbers van Shostakovich treffen. Wanneer die twee culturen nu zo gelijkmatig naast elkaar bestaan, waarom voor de een dan meer gelijkmatig dan voor de ander? Waarom kan de Shostakovich adept wel met een fan van Bauer praten, maar een Bauer adept niet met een bewonderaar van Shostakovich? Bauer heeft voor ‘ons’ een extra betekenislaag. Hij is een volkszanger, een zanger van het levenslied én hij is nog iets anders. Iets dat wij kunnen duiden, ook al zullen we dat allemaal op een andere want eigen wijze doen. We horen Frans Bauer en we horen tegelijkertijd iets dat daarachter of onder ligt. We zijn gelaagd. En we kunnen die gelaagdheid niet ontkennen.
De topsporter tenslotte. Die zal zich nog altijd zijn eerste paar houten schaatsen herinneren, en de sloot, de vaart bij hem in de buurt. Hij herinnert zich de doorzichtige rijp op de bomen, de snijdende wind en zijn allereerste trainer, in zijn ogen een man van wereldklasse. De sporter zal zijn herinneringen ongetwijfeld koesteren. Hij kan zelfs terug verlangen naar die wereld die ooit nog vol belofte was. Maar tegelijkertijd is hij eraan ontstegen. Hij kán niet terug.


Ik zie ze geil daar staan iedere avond voor je raam
Lachend komen ze naar buiten ze staan te kwijlen als een beest
Waarom geef ik om jou waarom sta ik in de kou
Je moet weten dat ik huil oh als ze bij je zijn geweest
( André Hazes ‘t Rode licht)

Wohin die Seefahrt mich im Leben trieb,
ich weiß noch heute, was mir Mutter schrieb.
In jedem Hafen kam ein Brief an Bord.
Und immer schrieb sie: "Bleib nicht solange fort."
(Freddy Quinn, Junge, komm bald wieder)



* (Lex ter Braak over Alles is gekleurd van Joost Zwagerman, 29 maart 2011)

0 reacties: