
Geen instamatic, maar vakantie Zwitserland in 1968.

Menschen des zwanzigsten Jahrhunderts heet het onvoltooid gebleven levenswerk van de Duitse fotograaf August Sander (1876 – 1964). Wie heeft hij niet gefotografeerd? Boeren, burgers en buitenlui. Studenten, ambtenaren en soldaten. Kermisvolk en artiesten. De elegante vrouw en de werkzame vrouw. De componist, de rechter en de zwerver. Het notariaat en de mensen van de straat. Jazeker, ook de mensen die bij hem aan de deur kwamen heeft hij vereeuwigd. En dat waren er nogal wat.
Daarom vroeg ik mij onlangs af: wie komen er bij ons nog aan de deur? Uiteraard, wanneer er een kraan kapot is, bel ik de loodgieter, moet de tuin opgehoogd, dan komt de hovenier. Maar ik bedoel: mensen die zomaar komen zonder dat je ze eerst belt, mensen die komen uit routine en die er, op de een of andere manier, ook altijd zijn. Mensen die het straat- en deurbeeld bepalen.
In mijn vroege jeugd waren dat er meer dan nu. Veel meer De scharensliep, voor het slijpen van messen en scharen. De voddenboer. Of de eierboer: een oude man met een bakfiets. Je hoorde hem van verre al komen omdat hij een afwijking had. Hij maakte een raar geluid met zijn mond, liet lucht ontsnappen tussen kies en wang. Dat leidde tot een merkwaardig zuigend geknars. De man keek je bovendien nooit aan, niet wanneer hij op zijn fiets zat, en niet wanneer hij zijn eieren verkocht. Hij staarde wezenloos langs de mensen heen. Dan waren daar nog de bakker, de melkboer en de groenteboer. De laatste was het meest opmerkelijk omdat hij kwam met kar en knol. Zo’n koppig vierkant paard met een zwarte lap voor zijn oog. De groenten op de kar lagen trapsgewijs opgesteld. Erg mooi eigenlijk.
Daarnaast werden we regelmatig bezocht door een accordeonist, een oude, tanige man. De kinderen zeiden dat je uit moest kijken; dat hij je meelokte met zijn muziek, tot ver in de donkere kelders van het flatgebouw op het Schweitzerplein, waar hij neuriënd je kleren uittrok Maar de ouders gedoogden hem, dus waarschijnlijk viel het mee. Soms kwam hij langere tijd niet. Dan zeiden de kinderen met een opgetogen stem dat hij in de gevangenis zat.
Ondertussen kwamen, net als nu, ook de schoorsteenveger en de glazenwasser langs. En heel af en toe reed er een lijkwagen door de straat, gevolgd door een stoet stapvoets rijdende auto’s. Op zo’n moment sloten de mensen de overgordijnen. Als kind vond ik dat buitengewoon griezelig. Het was eng op eng: eerst een wagen met een lijk erin, en dan de gordijnen dicht. Dus donker midden op de dag. En stil, dat was het ook, want je mocht niet praten. Geen mens die het in zijn bolle hoofd zou halen om aan de kant te applaudisseren. Je maakte geen beweging ernaar toe, je maakte een beweging ervan af. De mensen borgen zich op, heel even. Zo toonden zij hun respect.
Op gezette tijden kwamen bovendien de muzikanten. Zomaar een optocht door de straat. Waar kwam het vandaan, waar ging het heen? Dat wisten we niet. Nu vlogen de mensen wel naar buiten, ze zwaaiden en lachten, een enkeling joelde: ‘ik ga mee’, keek vervolgens zijn vrouw aan en vloog weer naar binnen.
Er waren ook huisfotografen in die tijd. Die kwamen in de huizen en fotografeerden vooral de kinderen. Niet de kinderen zoals ze waren, maar kinderen in poses. Zo zat ik achter de piano van mijn vader zonder dat ik kon spelen, las ik een tijdschrift voordat ik kon lezen, stond ik achter het fornuis voordat ik kon koken en begoot ik met een sierlijk gietertje grijnzend de planten. Want dat kon ik dan weer wel. Die fotograaf schoot aan een stuk door de verkeerde plaatjes. Zo fotografeerde hij mijn vader in een ‘luie’ stoel terwijl hij Het Beste van Readers Digest las. Mijn moeder leunde welwillend over zijn schouder en las mee. Maar mijn moeder las nooit welwillend mee; de machtsverhoudingen bij ons thuis lagen voor eens en voor altijd andersom.
Tja, achteraf zijn het rare, maar ook waardevolle foto’s. Waarom eigenlijk? Omdat het er relatief zo weinig zijn, én omdat zij een inmiddels verdwenen wereld tonen. Wanneer je naar de foto’s van August Sander kijkt met dit idee in je achterhoofd, dan voel je iets van zijn motivatie om zijn tijd, zijn mensen, vast te leggen. Vast te leggen voordat het verdwijnt, vast te leggen opdát het niet verdwijnt.
Hoe minder foto’s van vroeger we hebben, des te waardevoller ze worden. Tegenwoordig maken we foto’s van alles wat los en vast zit. Met een digitale camera maakt dat ook niks meer uit. Je kunt aan één stuk door plaatjes schieten. Voor sommigen heeft de enorme voorzetlens op de camera bijna iets van een fallussymbool. De suggestie van een zeer professioneel aura. Maar schijn bedriegt: de grootste visuele analfabeet kan schieten, de techniek doet de rest.
En zo ontstaat er een overschot aan materiaal. In plaats van bewaren, koesteren, conserveren, moeten we selecteren. Het zal een van de grootste problemen van de toekomst zijn. Want hoe doen we dat? Het antwoord is: eigenlijk niet. De meeste van ons selecteren niet. We slaan alles op, het probleem wordt naar voren geschoven. Later gaan we dat nog wel eens uitzoeken. Ons materiaal wordt op deze manier gelijkwaardig, alle gebeurtenissen staan op één lijn, zij bevinden zich in een ononderbroken stroom.
Tegelijkertijd voltrekt zich een andere tendens, eentje die ongetwijfeld te maken heeft met wat historici de breuk met de traditie noemen: niet alleen de traditie verdwijnt, maar ook onze band daarmee, en onze herinneringen daaraan. Toch willen we iets van die band herstellen. En langzaam maar zeker ontwikkelen we een hang naar oude foto’s. We verzamelen beeldmateriaal bij antiquairs, kopen foto’s en albums op rommelmarkten. Essayisten als Kousbroek en Genazino schrijven over gevonden foto’s, kranten richten er rubrieken voor in, tentoonstellingmakers maken er tentoonstellingen van, de techniek digitaliseert oud materiaal en sommige websites nemen een nieuwe rol als digitale musea in.
Maar dat is nog niet alles. De techniek biedt ons nu ook de mogelijkheid om zelf oude foto’s te maken. Met een eenvoudige app op je mobiele telefoon, instamatic of hipstamatic: in een handomdraai heb je de foto van zo-even omgetoverd tot een foto die eruit ziet alsof hij uit de jaren vijftig stamt. De kleuren zijn verlegen en op andere plekken weer overbelicht, afhankelijk van het filter dat je kiest. De contouren vervagen hier en daar, de foto zelf heeft krassen of rafelranden. En we vinden het prachtig! Instamatic is een hit: vijf miljoen gebruikers in acht maanden tijd. En waarom? Is een quasi polaroid, een quasi oude foto, nu echt zoveel mooier dan een scherp en kleurrijk beeld? Nee natuurlijk niet. We vinden die oude foto’s mooier omdat ze naar een verdwenen wereld verwijzen. Een wereld waarvan wij relatief weinig materiaal hebben, en dat materiaal kunnen we nu zelf bijmaken, in een handomdraai.
Met instamatic veinzen we in wezen dat we dat we een stukje van dat verleden terug kunnen halen. Eerst werden we, dankzij de techniek, opeens allemaal fotograaf. En nu zijn we ook nog eens allemaal de fotografen van een verloren tijd geworden. Met slechts één druk op de knop! Het is magisch.
Jammer, denk ik achteraf, dat onze huisfotograaf niet tegelijkertijd de mensen heeft gefotografeerd die halverwege de jaren zestig bij ons aan de deur kwamen. De scharensliep. De voddenboer. De man die knarsend eieren verkocht. Maar, denk ik ook, de glazenwasser en de postbode zijn nog niet verdwenen. Ik kán nog een foto van hen maken. Ik kan zelfs een instamatic-foto maken. Kijk, dit is Dennis, onze postbode, zeg ik dan. Althans hij is het niet echt, hij is het zoals hij vroeger zou zijn geweest of zoals hij er straks in mijn herinnering uit gaat zien. Are you with me? Ik ben het met je eens; we zijn enorm gecompliceerde mensen geworden. En daar kunnen we eigenlijk niet zo veel aan doen. Kom, ik ga een foto van je maken. Maar vraag me vervolgens naar aanleiding van die foto niet wanneer dat was en wie je bent.
0 reacties:
Een reactie plaatsen