


Van boven naar beneden: een flaneur, de papierfabriek van Adolf Jass, de Strudlhoftrappen in Wenen
In het eerste hoofdstuk van Wenn wir Tiere wären, de recent verschenen roman van Wilhelm Genazino, staat een slapende eend op slechts één poot midden in het stadsgewoel. Dit vindt de schrijver een zeer opmerkelijk beeld want een dergelijk tafereel rukt de voorbijganger uit zijn dagelijkse routine; hij ziet iets anders dan dat wat zijn privé-beslommeringen of zijn beroepswerkzaamheden hem dicteren. In zekere zin vat de schrijver deze manier van kijken dus als een bevrijding op. En dat verwondert de lezer bij een auteur als Genazino, stadswandelaar en observator bij uitstek, natuurlijk helemaal niks.
Vrij Nederland wijdde in haar zomernummer een artikel aan de wetenschap van de psychogeografie. Deze wetenschap onderzoekt hoe de vormgeving van ruimtes en gebieden ons humeur en gedrag beïnvloedt en manipuleert. Psychogeografen verkennen locaties en terreinen op manieren die afwijken van het normale gebruik van ruimtes. Bijvoorbeeld door zich te laten leiden door de wind, door in een straatbeeld op zoek te gaan naar een bepaald patroon. Of door te zoeken naar de historische lagen van een plek, soms van een heel erg doodgewone, bijna onopvallende plek.
Deze zomer reisde ik per trein voor de tweede keer naar Weimar. Van mijn vorige reis herinnerde ik mij dat er in het voormalige Oostduitsland veel fabrieken stonden langs het spoor. En ik besloot om de namen van de fabrieken, voor zover aanwezig, onderweg te noteren teneinde hen later op internet te zoeken. Lang niet alle namen waren voorhanden, veel fabrieken waren vervallen, verlaten of half onderkomen. Ze zagen er prachtig uit, daar niet van. Opgetrokken uit donkerrode baksteen, met indrukwekkende toegangspoorten, dichtgemetselde halfronde ramen of vensters zonder glas, als zwarte gapende gaten. Op de muren niet zelden nog wat verweerde letters, volstrekt onleesbaar, van dat wat ooit een bedrijf in vol bedrijf moet zijn geweest. Ik noteerde wat ik noteren kon van de nieuwere bedrijven. Adolf Jass Papirfabrik (bij Fulda). Ballmaier Grosshaus. Elektro Gregor (Bad Hersfeld). En zo verder. Ik had het artikel in VN nog niet gelezen. Maar eigenlijk was ik binnen het treinlandschap al op zoek naar een bepaald patroon om op die manier iets meer over die rand langs het spoor te weten te komen. En van de papierfabriek heb ik later op het internet prachtige foto’s gevonden, waaronder machines met enorme balen papier. Zelfs van meneer Jass vond ik een afbeelding, en na al dat zoeken dacht ik: Aha! Dat is hem dus. Het leuke is dat zich hier ongetwijfeld niemand zal interesseren voor meneer Jass die in 1960 zijn papierfabriek oprichtte maar dat, wanneer het eenmaal je hoogstpersoonlijke zoektocht is geworden, je interesse in alles eromheen al vrij snel is gewekt.
Vroeger las ik in de trein. Tegenwoordig doe ik dat ook nog wel maar tegelijkertijd vind ik het bijna zonde om niet naar buiten te kijken.
In VN wordt de psychogeografie omschreven als een obscuur gedachtegoed, tegenwoordig vooral omarmd door anarchisten en het marginale hyperintellect. Dat is misschien het geval wanner je het begrip heel nauw definieert, maar neem je het wat breder, dan valt het denk ik wel mee. Zijn we niet allemaal opgegroeid met het spelletje voor onderweg ‘ik zie, ik zie, wat jij niet ziet’ ? En wat doet dat eenvoudige spel anders dan dingen, dieren, mensen en beelden isoleren van hun omgeving en er als zodanig de aandacht op vestigen?
Natuurlijk zijn er tegenwoordig onderzoekers en kunstenaars die hele routes uitzetten aan de hand van het psychogeografisch gedachtegoed. Met verfstroken op pad en dan de betreffende kleuren in de omgeving detecteren. Of de afvalwandeling: het verzamelen van losse stukjes in je directe omgeving en deze onderling met elkaar verbinden door een tekst. Dat is misschien wel leuk om te doen, maar tegelijkertijd ook wel weer erg kant en klaar en programmatisch.
Nee, dan kun je beter zoals Baudrillard een schildpad kopen en daarmee door de stad gaan wandelen. Dat beest loopt zo verdomde langzaam dat je wel kijken moet. En dan zie je wel wat je ziet. Kijken kun je moeilijk voorprogrammeren. Twee dingen zijn in ieder geval belangrijk. Tijd (langzaam) en inzoomen. En dat doet me dan weer denken aan een magistrale roman van Heimito von Doderer: Die Strudlhofstiege.
De Strudlhofstiege in Wenen is een monumentaal trappencomplex (Jugendstil) dat de Bolzmanngasse en Liechtensteinstrasse met elkaar verbindt, maar het is ook het kruispunt van waaruit de gebeurtenissen en het lot in het leven van de wat dommige antiheld, k.u.k. luitenant Melzer, zich voltrekken. De roman waaiert uit van Wenen naar Constantinopel, van Budapest naar Buenes Aires, maar de Strudlhofstiege is en blijft het centrale punt, de genius loci, zij is het schouwtoneel van de beslissende ontwikkelingen in de roman en zij vormt volgens de schrijver het eigenlijke hoofdpersonage van het boek. Het boek pakt groots uit maar vergeet niet klein te blijven en daarmee verbreekt het een conventie, altijd gaat het verhaal weer terug naar die ene plek, een plek die zo onbeduidend is ten opzichte van de beschreven wereldsteden maar toch de plaats is waar het allemaal gebeurt, waar laag over laag wordt geschreven. We bevinden ons voortdurend ergens anders dan waar we denken dat we ons bevinden.
De mooiste uitspraak in het artikel in VN komt overigens van kunstenaar en schrijver Wilfried H. (Wilfried Hou Je Bek). Hem wordt gevraagd, psychogeografie, is dat nu een vorm van verzet? Waarna Wilfried zegt, nee ‘het is een opzettelijk negeren van wat je geacht wordt te zien’.
Eigenlijk is het dus een schitterende auteurs- dan wel kunstenaarspoëtica.
0 reacties:
Een reactie plaatsen