In 1960 riep de Moskouse krant Izwestia haar lezers op om de 27ste september van dat jaar uitvoerig te beschrijven. De (Oost) Duitse schrijfster Christa Wolf gaf gehoor aan de oproep maar liet het niet bij deze ene dag. Gedurende de volgende vier decennia beschreef ze iedere keer weer zeer nauwkeurig haar 27ste september. Het resultaat is te lezen in het boek Ein Tag im Jahr, 1960-2000, dat in 2003 verscheen.
Eerst even rekenen. Christa Wolf is geboren op 18 maart 1929. Zij was dus 31 jaar toen zij aan het project begon en 71 jaar toen zij de laatste, in het boek opgenomen dag beschreef. Je kunt ook zeggen: Christa Wolf begon ongeveer rond het hoogtepunt van de Koude Oorlog (1962, de Cubacrisis) en eindigde elf jaar na de val van de muur.
Een boek dat veertig jaar van iemands leven beslaat, is natuurlijk bijzonder. Bijzonder is ook dat het in dit geval altijd die ene dag is. Het is dus altijd herfst in het boek, het is altijd de dag voor de verjaardag van Wolfs jongste dochter, de aantekeningen beginnen altijd rond middernacht en het eindigen ook altijd weer rond middernacht.
Eveneens frappant zijn de overpeinzingen die het ouder worden betreffen, of ziektes. Wanneer je op de helft van het boek over een ziekte leest, weet je dat het uiteindelijk wel mee zal vallen omdat het boek in totaal meer dan 600 pagina’s beslaat. Door de lengte van het boek heb je een idee van de lengte van het beschreven leven.
Dat doet me dan weer denken aan het werk van de Pools / Franse kunstenaar Roman Opalka, die op 6 augustus van dit jaar overleed. Vanaf 1965 schilderde deze kunstenaar doeken met reeksen van oplopende getallen. Hij begon met 1, 2, 3, enzovoort. Acryl op canvas. Wanneer een doek af was, noemde hij dit een ‘detail’. Hij continueerde zijn reeks op een volgend doek. een volgend ‘detail’. De doeken samen vormden details in de tijd; de kunstenaar wilde het onomkeerbaar verglijden van de tijd laten zien. Opalka was 34 jaar toen hij met zijn project begon. Hij overleed op 6 augustus 2011, een week voor zijn tachtigste verjaardag. Je zou dus kunnen zeggen dat zijn project, in tegenstelling tot dat van Christa Wolf, niet af was. Tegelijkertijd kón zijn project niet af raken, en was zijn dood de natuurlijk afronding.
Alhoewel. In 1972, toen hij het miljoen passeerde, besloot Opalka om de donkere achtergrond van zijn schilderijen telkens 1% lichter te maken. Aangezien hij zijn getallen ook schilderde in wit, zou hij op een gegeven moment in de tijd wit op wit schilderen. Dan had hij in wezen (een vooraankondiging van) zijn eigen dood geschilderd. of de dood van het schilderij, het is maar hoe je het bekijkt. Dat moment kwam in 2008: witte getallen op een witte achtergrond en de kunstenaar noemde deze kleur ‘blanc merité’, welverdiend wit. Om nu te voorkomen dat niemand meer kon zien wat hij had geschilderd, gebruikte hij voor de achtergrond zinkwit en voor de getallen titaanwit. Zodat de getallenreeks onder een bepaalde lichthoek altijd zichtbaar zou zijn. Zelf begon Opalka in 1972, mede om vergissingen te voorkomen, met het inspreken van de getallen op een bandrecorder. Tegelijkertijd startte hij met het dagelijks fotograferen van zijn eigen gezicht.
Dit klinkt allemaal vrij programmatisch. Toch zit er ook iets ontroerends aan. Iets van het gevecht van de mens tegen zijn tijd, tegen het onbekende lot, het volstrekt niet weten van de eigen eindtijd. Tekenend vind ik het filmpje Visualization of Time (te bekijken op YouTube) waarin Opalka de 4.000.000 (vier miljoen) nadert. Het bereiken van dit getal noemt hij een gebeurtenis. We zien hoe de rustige hand van de kunstenaar de cijfers schildert, en we horen dat hij hardop telt. En dan opeens is het zover: 4.000.000. En de kunstenaar? Slaakt hij een vreugdekreet? Gaat er een fles open? Nee, hij gaat gewoon door met adem halen. En schildert geconcentreerd het volgende getal, 4.000.001.
De projecten van Wolf en Opalka zijn intrigerende tijdsdocumenten. Beide zijn opgebouwd uit ‘details: bij de kunstenaar een reeks cijfers, bij de schrijfster een reeks gebeurtenissen. Gebeurtenissen overigens die, indien niet genoteerd, onherroepelijk in de vergetelheid zouden raken. Je weet nu bijvoorbeeld dat Christa Wolf zich op 27 september 1978, in haar tweede huis in Meteln (Meclenburg-Vorpommern) bevindt, en dat die dag op een woensdag valt. De dag begint rond twaalf uur middernacht als Wolf met haar man en haar Poolse vertaler (Herr Blaut) in een van de voormalige zwijnenstallen rond het huis zit, waar juist het haardvuur is gedoofd. Je weet ook dat in de ochtend van dezelfde dag gele zonnebloemen in een groene petroleumfles staan en dat het licht uit het oostelijke dakvenster naar binnen valt. Dat ouder worden (Wolf kijkt in de spiegel) voor de schrijfster geen abstract woord meer is, maar een dagelijkse ervaring. Je weet dat niet veel later de telefoon gaat: Ingeborg A. Dat Wolf samen met haar man de heuvel in Meteln oversteekt, op weg naar de bevriende overbuurvrouw Carola. Deze vraagt aan Wolf waar ze op dit moment aan werkt. Wolf antwoordt dat ze de Gunderode-Scheiss nu achter zich heeft en weer iets ‘voor zichzelf’ gaat schrijven. Enzovoort en zo verder, alle details worden beschreven naast gedachten, associaties en gesprekken.
Wolf beschreef de dag. Opalka nummerde de dag.
The New York Times tekent na de dood van Opalka de volgende uitspraken van hem op. 'All my work is a single thing, the description from one to infinity'. Plus: 'A single thing, a single life.'
En Christa Wolf geeft over Ein Tag im Jahr te kennen:
(…) So setzt sich Leben aus unzähligen solcher mikroskopischen Zeit-Stücke zusammen. Merkwürdig aber, daß man es nicht ertappen kann. Es entwischt dem beobachtenden Auge, auch der fleißig notierenden Hand und hat sich am Ende - auch am Ende eines Lebensabschnitts - hinter unserem Rücken nach unserem geheimen Bedürfnis zusammengefügt: (...)
Ze zijn met hetzelfde bezig geweest, Wolf en Opalka, de schrijfster en de beeldend kunstenaar. En voor beiden geldt dat je die microscopische stukjes tijd, zoals Christa Wolf het zegt ‘nicht ertappen kann’.
Want waar zijn zij nu eigenlijk ouder geworden? Wanneer? Op welke van de foto’s? Op welke dag? Dat is natuurlijk niet aan te wijzen.
Alleen kinderen zie je plotseling ouder worden. En bij hen verbaast het je nog, bij hen gaat het zo vlug. Wie herinnert zich niet de tante die altijd maar weer riep dat je zo groot geworden was. En nu roep ik het zelf! Na iedere zomervakantie, wanneer de vriendjes en vriendinnetjes van mijn dochters weer in huis verschijnen. Wat ben je groot geworden, je bent gegroeid, ik kan het werkelijk zien. Bij het kind ondertussen, kun je de verveling van het gezicht afschrapen. Terwijl mijn uitroep in wezen niet veel meer betekent, dan dat ik in de reeks details al een stuk verder ben gevorderd dan het kind, dat mijn achtergrond een stuk lichter is geworden en al iets meer aan de op de voorgrond liggende getallen raakt.
Nu ja, daar heeft een kind geen boodschap aan.
0 reacties:
Een reactie plaatsen