dinsdag 6 december 2011

Dagdief






In de verzamelbundel Illuminationen schrijft Walter Benjamin een klein essay over de schrijver Robert Walser en diens personages. Er is in dit betoog een woord dat me opvalt, en bijblijft. Dat is het woord Tagedieb. Dagdief. Hoewel geen zeer algemeen woord, geeft het toch aan wat voor mens hier wordt bedoeld, welk karakter. Benjamin typeert met deze aanduiding overigens niet alleen de personages van Walser maar ook die van Knut Hamsun, en hij geeft nog een ander voorbeeld van een dagdief uit de Germaanse literatuur, de Taugenicht van Joseph von Eichendorf.

Dagdief is een woord waarop je flink kunt door associëren. Heeft de dagdief bijvoorbeeld iets van de negentiende-eeuwse flaneur? Mij lijkt van wel. Flaneren is ogenschijnlijk niks doen en daarmee stukken aan de dag ontfutselen, net zo lang totdat je de hele dag ontfutseld hebt. Vreemd, niet? Want aan wie of wat ontfutsel je nu eigenlijk die dag? Aan jezelf, in de zin van: ik had mijn tijd beter kunnen of moeten besteden? Misschien. Laten we echter niet vergeten dat de dagdief dit ‘nietsdoen’ een excellente besteding van zijn tijd vindt. Ontfutselt hij de dag dan aan de lopende week, aan de lopende maand, aan het lopende jaar? Moet je de tijd in dit geval als iets algemeens beschouwen, of eerder als je eigen levenstijd? Wanneer het je eigen levenstijd betreft, ontfutsel je iets aan jezelf. Maar je kunt niet je eigen dief zijn. Dus je steelt iets wat jou in wezen toebehoort.
Dat klinkt eenvoudig, maar ik denk dat deze tweespraak wezenlijk is aan het verschijnsel dagdief. Hij laat zich zijn dag niet door anderen ontnemen, hij eist zijn eigen tijd op. En daarmee maakt hij zichzelf tot buitenstaander, tot anders dan anderen. Maar net als een koopjesdief steelt hij niet werkelijk.
Los van de vraag aan wie ontfutsel je, kun je ook vragen: wat ontfutsel je. Tijd. Natuurlijk niet zomaar tijd. Je kunt ook op je werk een pauze rekken, langer met collega’s kletsen. Dat maakt je nog niet tot een dagdief. Dus je doet iets speciaals met die tijd. Wat dan? Volgens mij: kijken. Rondkijken. Waarnemen. Al kijkend je omgeving ervaren. Je ontfutselt tijd aan je dag om niks anders te doen dan rond te kijken, wat te wandelen, te zwerven, te flaneren. En zelfs als een dagdief ergens neerstrijkt, legt hij nog niet zijn attitude neer. Hij blijft een buitenstaander. Hij zit er wel maar hij zit er niet. Hij blijft een buitenstaander in geleende tijd.
Een dagdief kun je overigens niet worden, zoals je ook geen buitenstaander kunt worden, of geestig, of origineel. Je bent het of je bent het niet, zoals de een het meer is dan de ander. Het blijft een kwestie van aanleg.

Zouden er nu ook dagdieven binnen de beeldende kunst bestaan? Dat is lastig, je kunt het begrip niet letterlijk nemen. Een afbeelding van een landloper, is nog geen afbeelding van een dagdief. Misschien moeten we hier aan de kunstenaar zelf denken, hoewel natuurlijk niet aan allemaal, zoals ook lang niet alle schrijvers dagdieven zijn, of dit type kunnen beschrijven.
In ieder geval schiet me op deze plek de Tsjechische fotograaf Josef Sudek te binnen.
Sudek, geboren in 1896, verloor tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het Italiaanse front zijn rechterarm als gevolg van een granaatontploffing nota bene door kanonniers van zijn eigen troepen (hij vocht in het Oostenrijks-Hongaarse leger). Vervolgens verbleef hij drie jaar in diverse ziekenhuizen. Als oorlogsinvalide had hij permissie om straatventer te worden, maar daar bedankte hij voor. Hij koos voor de fotografie en ging naar de academie voor grafische vormgeving in Praag. Een vreemde eend in de bijt was hij daar wel, met zijn schunnige taal die hij in de oorlog zo her en der had opgedaan. Maar hij was ondernemend en het lukte hem om uiteindelijk een van de meest bekende fotografen van zijn land en zijn tijd te worden.
Aan het eind van de jaren veertig vond Josef Sudek een camera uit 1894, dus bijna even oud als hij zelf, een Kodak panoramic. Het was een lomp apparaat dat Sudek slechts met moeite, want met één arm, overal mee naartoe sleurde. Een bijkomend probleem was dat er slechts één filmstrook van 10 bij 30 centimeter in paste. Nadat Sudek een foto had genomen, moest hij terug naar zijn donkere kamer om een nieuwe filmstrook in zijn camera te plaatsen. Gelukkig bood de bevriende textielkunstenares Božena Rothmayerová uitkomst: zij naaide een grote, zwarte zak voor hem waar zowel de fotograaf als zijn camera in konden verdwijnen. En dat leverde uiteindelijk het volgende beeld op, reden waarom ik Sudek zo door en door met een dagdief associeer: midden op de dag en midden op straat kroop de kunstenaar in die reusachtige, zwarte zak om een nieuw negatief in zijn camera te plaatsen. Midden op de dag, midden op de straat, was hij er even niet. En alhoewel je een fotograaf sowieso zou kunnen zien als iemand die beelden aan de dag ontfutselt, iemand die beelden ‘steelt’, was het bij Sudek dubbelop. Hij onttrok beelden aan zijn omgeving maar hij onttrok tussen de bedrijven door zichzelf ook min of meer aan het zicht. Het moet een idioot, maar waarschijnlijk ook wel aandoenlijk tafereel zijn geweest: zo’n bewegende, vormloze, zwarte massa op een brug, in het bos, in de stad.

De Ierse schrijver John Banville die begin jaren tachtig zelfs glasnegatieven van Sudek uit het voormalig Tsjecho-Slowakije naar Amerika heeft gesmokkeld, citeert in Prague Pictures literatuurwetenschapper Zdeněk Kirschner, voormalig hoofdcurator van het Praags Museum van Decoratieve Kunst over Sudek:
Als Sudek zijn zware, houten platencamera op het robuuste statief zette, de lenzen uit de doekjes wikkelde, de goede lens uitzocht en in de camera plaatste, daarna onder de zwarte doek kroop, die hij een ‘non’ noemde, de compositie bekeek en het licht beoordeelde, de apparatuur instelde, de fotografische plaat naar binnen schoof en de lens opende, mechanisch of door de lensdop ervan af te halen, dan, als het licht het beeld op het negatief begon te schilderen, dan en slechts dan sprak hij zijn toverspreuk uit: ‘A hudba hraje...‘ 'En de muziek speelt...’

‘Aha dat is het dus!’, dacht ik toen ik dit las. Dat is het wat de dagdief drijft en waar hij al die tijd op wacht. Het moment waarop de muziek begint te spelen, het moment dat hij ziet waarop hij heeft gewacht. Dat wachten is plotseling niet zinloos meer; krijgt achteraf betekenis, als tijd voorafgaand aan - . En zijn kijken is even paradoxaal als het begrip dagdief zelf. De dagdief wil weliswaar iets waarnemen, en ervaren, maar wanneer hij aan zijn dag begint, heeft hij geen flauw idee wat. Pas als hij het ziet, herkent hij het, en neemt het onmiddellijk mee. A Hudba hraje... Wat een poëtische uitspraak voor een man wiens spraak was doorspekt met schuttingtaal.

4 reacties:

Maarten van der Graaff zei

Dag Nicole, mooi stuk. Zeg, over Sudek las ik ooit iets erg moois, in een of ander boek, maar ik kom niet op de titel en kan het niet vinden. Kun je me uit de onwetendheid verlossen?

Nicole Montagne zei

Ha Maarten. Tja, volgens mij is er erg veel moois en mythisch over Sudek verteld. Ik las Banville over hem, en Ian Jeffrey in 'De kunst van het kijken'.

Maarten van der Graaff zei

Ja veel mythisch ook. Dat zou die Banville wel eens kunnen zijn Nicole. Thanks. Komt er trouwens ook een boek met je beschouwingen over kunst (bij Cossee bijvoorbeeld)?

Nicole Montagne zei

Ja, dat komt er wel. Met mijn essays blijf ik in principe bij Vantilt.