vrijdag 27 januari 2012

Over Gundula Schulze Eldowy en Nico Dijkshoorn




De in 1954 in Erfurt geboren fotografe Gundula Schulze Eldowy wordt wel de Diane Arbus van de DDR-fotografie genoemd. Tussen 1977 en 1990 fotografeerde zij, aanvankelijk in Berlijn en later in Dresden, een samenleving die langzaam maar zeker uiteen viel. Zij vereeuwigde oude mensen, arme mensen en mensen die min of meer de kluts kwijt waren, maar zij ving ook hun levenslust. Zij registreerde ‘het alledaagse leed naast de schone waanzin', schrijft Tobias Timm in Die Zeit van 8 december 2011 naar aanleiding van de tentoonstelling van Schulze Eldowy’s werk in C/O Berlin. Eigenlijk fotografeerde Schulze Eldowy iedereen die in de klassenloze DDR officieel niet bestond. En zo ontpopte de fotografe zich tot een etnologe van haar stad, concludeert Die Zeit.
Toen in 1986 de Stasi haar wegens vermeende contacten met de CIA vervolgde (waarschijnlijk vanwege haar vriendschap met de Amerikaanse fotograaf Robert Frank), verliet Schulze Eldowy Berlijn en vestigde zich in Dresden. Daar fotografeerde ze niet langer in grijstonen, maar schakelde ze over naar kleur. Het werk dat in Dresden ontstond, zou uiteindelijk een laatste verslag vormen van de rafelranden van de DDR. Na de val van de muur vertrok Schulze Eldowy naar New York, daarna naar Egypte en uiteindelijk belandde ze in Peru.
Wanneer ze vandaag de dag in Berlijn is, fotografeert ze niet meer. Dat kan echter veranderen, denkt ze zelf, want het land, heel Europa, verkeert in een crisis. En Schulze Eldowy raakt gebiologeerd wanneer iets uiteenvalt. Je zou kunnen zeggen: wanneer iets om een andere kijk, een andere houding vraagt. Het moment waarop het vertrouwde wegvalt, maar nog niet weg is. Het moment waarop het nieuwe eraan komt, maar nog niet is waargenomen.

Werkelijk aangrijpend is de hier bovenstaande foto van het kindje in zijn blote bast, met zijn handjes in de touwen en een witte doek over zijn hoofd. In de glanzende metalen plaat achter het kind, weerspiegelt zich het geconcentreerde gezicht van een jonge verpleegster. Wat is ze aan het doen, wat betekent dit? De jonge vrouw maakt een röntgenfoto. Dat het kind in een onmogelijke pose staat of hangt, lijkt niet relevant. De verpleegster wil snel en efficiënt werken. De foto is in 1987 door Schulze Eldowy gemaakt. De fotografe vertelt dat de samenleving rond deze tijd hard en star was, en dat ze er met haar camera opuit trok om dit vast te leggen. Ze ging daartoe naar de officiële instituten: het ziekenhuis, het slachthuis, de staalwerken. En tot haar eigen verbazing werd ze overal binnen gelaten, zonder controle en zonder censuur. Na Tsjernobyl bijvoorbeeld, voltrok zich bijna geen enkele geboorte meer op een normale wijze, de straling én de angst daarvoor brachten grote problemen met zich mee. Schulze Eldowy stelde dit vast, fotografeerde in ziekenhuizen misgeboortes, maar verklaarde niets. Haar werk is empathisch maar ook constaterend van aard. Sociaalkritisch en emotioneel.

Is het niet merkwaardig dat juist zij, later vervolgd door de Stasi, toegang had tot die verharde officiële instanties? Ja, dat is uiterst merkwaardig, dat vond ze zelf ook. Dit zegt dus tevens iets over de mores van die tijd; men schaamde zich er niet voor, het was de realiteit. En wanneer een dergelijke realiteit overal rondwaart, in iedere instelling op een eendere wijze, dan valt het op den duur nog nauwelijks op. Men went eraan. Het is alsof de betreffende autoriteiten die Schulze Eldowy toestemming gaven om te fotograferen, allang niet meer doorhadden dat ze daarmee gevoelige informatie vrijgaven, dat de verstarring vereeuwigd werd en daarmee de habitus van deze instanties, en van de hele maatschappij. Alsof de instituten in hun ‘onschuld’ een bord buiten hingen: kom binnen maar foto’s maken, we hebben toch niet door hoezeer we afgegleden zijn. Er was een blik van buiten nodig om de verstarring te tonen. Om te laten zien dat wat hier gebeurde, niet helemaal normaal was. Schulze Eldowy, hoewel een insider, bezat deze objectiverende blik. En juist dat maakt haar werk zo aangrijpend.

Dan kom ik nu op Nico Dijkshoorn en het verhaal dat hij vertelt over zijn vader naar aanleiding van zijn boek Nooit ziek geweest. Een vader die aan Alzheimer leidt en in een tehuis is opgenomen. Ik las een interview met de schrijver in het Volkskrant magazine van 21 januari en zag hem afgelopen dinsdag in DWWD. Zijn boek heb ik (nog) niet gelezen, het is net verschenen. Maar er is een parallel tussen het verhaal dat Dijkshoorn vertelt en dat van Schulze Eldowy. Dijkshoorn dacht zijn hele leven dat zijn vader leuk en grappig was. Pas toen de vader aan Alzheimer leed en werd opgenomen in een verzorgingstehuis, toen zijn zoon hem bezocht en tegen zijn eigen verwachting in niks voelde behalve een ‘ Daar zitten we dan. Klootzak’, en ‘moet ik wéér alleen met jou bezig zijn’ realiseerde de zoon zich dat zijn vader altijd een egoïstische man is geweest en helemaal niet zo leuk en grappig. Een situatie die een leven lang normaal leek, bleek opeens een stuk minder normaal. Of natuurlijk niet opeens, daar ging ongetwijfeld een incubatietijd aan vooraf, maar de zoon realiséérde het zich op dat moment. De vader was een egoïst, de zoon zag zijn vader met andere ogen. Eigenlijk zoals Schulze Eldowy destijds de instanties in de DDR met andere ogen bezag. Zij zag datgene waar anderen in die tijd maar liever overheen keken omdat ze nu eenmaal aan de situatie gewend waren, en moesten roeien met de riemen die ze hadden.

De vraag van Arie Boomsma in DWWD en die van de journaliste in de Volkskrant, of Nooit ziek geweest misschien uit wraak was geboren, leek mij dan ook wat oppervlakkig gesteld. Een dergelijke vraag gaat iets te snel van een vereffening uit: een zoon heeft een nare vader en, is dan de algemene veronderstelling, rekent met hem af in een boek. Maar wat voor afrekening zou dat wezen? De vader, lijdend aan Alzheimer, krijgt de boodschap niet mee, dus als zoon mis je je belangrijkste doel. Waar zou die afrekening dan verder uit kunnen bestaan? Dat de omgeving weet wat voor een man deze vader nu eigenlijk was? Tja, wat heb jij daaraan, jij moet in de optiek van de wraakactie afrekenen met je vader, en niet je omgeving.
Dijkshoorn antwoordde in DWWD dat hij het boek moést schrijven, dat het uit zijn systeem moest voordat hij aan een ander boek begon. Het schrijven zal daarom te maken hebben met ‘identiteit’, met het bepalen van een plaats in de vader/zoonrelatie. Wanneer je je vader een enorm grappige man vindt, ben je een ander mens dan wanneer je diezelfde man ziet als een botte egoïst. In wezen gaat het niet over de vader, maar over de zoon. De vader is, ondanks zijn Alzheimer, in wezen niet veranderd. De zoon daarentegen wel. De zoon rekent echter niet af, hij neemt afstand. Hij hanteert niet langer de blik die ooit door een ander (de vader, het gezin) is aangereikt, maar kiest voor een blik van buitenaf. Wil de zoon zichzelf niet verloochenen, dan zal hij ageren of op de een of andere manier een daad stellen om zijn afstand te markeren. Daarna kan hij niet meer terug. Dat duidt niet op een vereffening maar op een overtuiging; voor Dijkshoorn de overtuiging dat zijn vader niet de man is voor wie hij hij altijd werd aangezien. Er is moed voor nodig om dat te onderkennen. De afstand die je zelf hebt ingebouwd, loop je immers niet meer in. Je bent die vader (deels) kwijt, ook al leeft hij nog. Daarover schrijven, staat los van revanche. De foto’s van Schulze Eldowy worden toch ook door geen mens omschreven als een wraakneming op het systeem? Dat is het thema niet. Het verhaal, lijkt mij, gaat over een fundamentele wisseling van perspectief. Over anders kijken.


Ausstellung Gundula Schulze Eldowy Die frühen Jahre
Fotografien 1977 bis 1990
10. Dezember 2011 bis 26. Februar 2012 in C/O Berlin, Oranienburger Str 35/36

Kijk voor meer over Gundula Schulze Eldowy op: Berlin in einer Hundenacht

Nico Dijkshoorn Nooit ziek geweest, Contact 2012

0 reacties: